Lees de Bijbel in 1 jaar

www.leesdebijbelin1jaar.nl

Psalm 119:1-88

119

1 Gelukkig wie de volmaakte weg gaan
en leven naar de wet van de HEER,
2 gelukkig wie zijn richtlijnen volgen,
hem zoeken met heel hun hart.
3 Zij bedrijven geen onrecht,
maar gaan de wegen die hij wijst.

4 Uw regels hebt u gegeven
opdat wij ons eraan houden.
5 Laat toch mijn wegen recht zijn,
ik wil mij houden aan uw wetten.

6 Ik zal nooit beschaamd staan
als ik uw geboden in acht neem.
7 Ik zal u loven met een oprecht hart
als ik uw rechtvaardige voorschriften leer.
8 Ik zal mij houden aan uw wetten –
verlaat mij dan niet voorgoed.

*

9 Hoe kan wie jong is zuiver leven?
Door zich te houden aan uw woord.
10 Met heel mijn hart heb ik u gezocht,
laat mij niet afdwalen van uw geboden.

11 Uw belofte heb ik in mijn hart geborgen,
zo zal ik niet tegen u zondigen.
12 Geprezen bent u, HEER,
onderwijs mij in uw wetten.

13 Mijn lippen hebben uitgesproken
wat uw mond ons voorschreef.
14 Leven naar uw richtlijnen geeft mij vreugde,
meer vreugde dan rijkdom en overvloed.

15 Uw regels wil ik overdenken,
het oog op uw paden gericht.
16 Ik verheug mij in uw wetten,
uw woord zal ik niet vergeten.

*

17 Wees goed voor uw dienaar – dan zal ik leven
en mij houden aan uw woord.
18 Neem de sluier van mijn ogen – dan zal ik zien
hoe wonderlijk mooi uw wet is.

19 Ik ben een vreemdeling op aarde,
verberg uw geboden niet voor mij.
20 Mijn ziel kwijnt weg van verlangen
naar uw voorschriften, dag en nacht.

21 U zult de hoogmoedigen straffen,
de vervloekten die afdwalen van uw geboden.
22 Neem spot en verachting van mij weg,
want ik heb uw richtlijnen gevolgd.

23 Al spannen machtigen tegen mij samen,
uw dienaar blijft uw wetten overdenken.
24 Uw richtlijnen verheugen mij,
ze geven mij goede raad.

*

25 Mijn ziel ligt neergedrukt in het stof,
laat mij leven zoals u hebt beloofd.
26 Vertel ik u mijn wegen, dan antwoordt u.
Onderwijs mij in uw wetten.

27 Leer mij de weg van uw regels begrijpen,
en ik zal uw wonderen overdenken.
28 Mijn ziel schreit van verdriet,
richt mij op zoals u hebt beloofd.

29 Houd mij ver van bedrieglijke wegen
en leer mij genadig uw wet.
30 Ik heb de betrouwbare weg gekozen,
met uw voorschriften voor ogen.

31 Ik druk uw richtlijnen aan mijn hart,
HEER, maak mij niet beschaamd.
32 Ik zal voortgaan op de weg van uw geboden,
want u geeft mij ruimte.

*

33 Wijs mij, HEER, de weg van uw wetten,
dan volg ik die tot het einde toe.
34 Geef mij inzicht, en ik zal uw wet volgen,
hem onderhouden met heel mijn hart.

35 Laat mij het pad gaan van uw geboden,
dat is mij het liefst.
36 Neig mijn hart naar uw richtlijnen
en niet naar winstbejag.

37 Houd mijn ogen af van wat leeg is,
laat mij uw wegen gaan, en leven.
38 Kom uw belofte aan uw dienaar na,
dan zal ik van ontzag voor u vervuld zijn.

39 Houd spot van mij af: die beangstigt mij,
maar uw voorschriften maken mij gelukkig.
40 Hoe verlang ik naar uw regels,
doe mij leven in uw gerechtigheid.

*

41 Laat mij, HEER, uw trouw ervaren,
red mij, zoals u hebt beloofd.
42 Dan kan ik antwoorden wie mij bespot,
want ik vertrouw op uw woord.

43 Neem de waarheid nooit weg uit mijn mond,
in uw voorschriften stel ik mijn hoop.
44 Ik zal mij houden aan uw wet,
voor eeuwig en altijd.

45 Laat mij voortgaan op een ruime weg,
want steeds zoek ik uw regels.
46 Dan kan ik zelfs voor koningen getuigen
van uw richtlijnen, zonder schaamte.

47 Ik verheug mij in uw geboden,
ik heb ze lief.
48 Ik reikhals naar uw geboden,
ik heb ze lief.
Uw wetten blijf ik overdenken.

*

49 Denk aan het woord, tot uw dienaar gesproken,
waarmee u mij hoop hebt gegeven.
50 Dit is de troost in mijn ellende:
dat uw belofte mij doet leven.
51 Al lachen de hoogmoedigen mij ook uit,
ik wijk niet af van uw wet.

52 Ik denk aan uw eeuwige voorschriften,
HEER, daarin vind ik troost.
53 Ik ben ontzet over de zondaars
die uw wet verlaten.
54 Uw wetten zijn voor mij als liederen
in het huis waar ik als vreemdeling woon.

55 Zelfs in de nacht denk ik aan uw naam, HEER,
en houd ik mij aan uw wet.
56 Dit is mij gegeven:
dat ik uw regels volg.

*

57 HEER, mijn enig bezit, ik heb beloofd
mij te houden aan uw woorden.
58 Met heel mijn hart zoek ik uw gunst,
wees mij genadig zoals u hebt beloofd.

59 Ik heb nagedacht over de weg die ik ga
en volg weer het spoor van uw richtlijnen,
60 ik haast mij, en aarzel niet
mij te houden aan uw geboden.

61 Al zetten rondom mij zondaars hun strikken,
uw wet vergeet ik niet.
62 Midden in de nacht sta ik op en loof u
om uw rechtvaardige voorschriften.

63 Ik ben een vriend van allen die u vrezen
en zich houden aan uw regels.
64 De aarde is vol van uw trouw, HEER,
onderwijs mij in uw wetten.

*

65 U bent goed geweest voor uw dienaar,
HEER, zoals u hebt beloofd.
66 Leer mij goed oordelen en onderscheiden,
ik heb vertrouwen in uw geboden.

67 Voor ik vernederd werd, tastte ik mis,
nu houd ik mij aan uw woord.
68 U bent goed geweest en hebt goedgedaan,
onderwijs mij in uw wetten.

69 Hoogmoedigen beschuldigen mij vals,
maar ik volg uw regels, met heel mijn hart,
70 gevoelloos als vet is hun hart,
maar ik verheug mij in uw wet.

71 Het was goed voor mij dat ik vernederd werd,
zo leerde ik uw wetten kennen.
72 Goed voor mij is de wet uit uw mond,
beter dan een schat aan goud en zilver.

*

73 Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd,
schenk mij inzicht, dan leer ik uw geboden.
74 Wie u vrezen zien mij met blijdschap,
in uw woord heb ik mijn hoop gesteld.

75 Ik weet het, HEER,
uw voorschriften zijn rechtvaardig,
en u vernederde mij in uw trouw.
76 Moge uw liefde mij vertroosten,
zoals u aan uw dienaar hebt beloofd.

77 Heb mededogen met mij, en ik zal leven,
uw wet verheugt mij.
78 Laat de hoogmoedigen beschaamd staan,
zij doen mij kwaad met hun leugens,
maar ik overdenk uw regels.

79 Laat mijn vriend zijn wie u vreest
en uw richtlijnen kent.
80 Laat mij volmaakt naar uw wetten leven,
dan zal ik niet beschaamd staan.

*

81 Mijn ziel smacht naar de redding die u brengt,
in uw woord heb ik mijn hoop gesteld.
82 Mijn ogen smachten naar uw belofte,
wanneer zult u mij troosten?

83 Al schrompel ik weg als een leren zak in de rook,
uw wetten vergeet ik niet.
84 Hoeveel dagen nog telt het leven van uw dienaar,
wanneer zult u mijn vervolgers berechten?

85 Ze hebben voor mij een kuil gegraven,
de hoogmoedigen die uw wet niet erkennen.
86 Elk van uw geboden is betrouwbaar,
maar leugens achtervolgen mij – kom mij te hulp!

87 Bijna was ik van de aarde verdwenen,
toch heb ik uw regels niet verlaten.
88 Blijf mij trouw, laat mij leven,
dan houd ik mij aan de richtlijn uit uw mond.

Psalm 94

94

1 God van vergelding, HEER,
God van vergelding, verschijn in luister.
2 Verhef u, rechter van de aarde,
geef de hoogmoedigen hun loon.

3 Hoe lang nog zullen de wettelozen, HEER,
hoe lang nog zullen de wettelozen juichen,
4 de onrechtvaardigen het hoogste woord
voeren en trotse taal uitslaan?

5 Zij vertrappen uw volk, HEER,
onderdrukken uw liefste bezit,
6 weduwen en vreemdelingen doden ze,
kinderen zonder vader brengen ze om.

7 ‘De HEER ziet het niet,’ zeggen ze,
‘de God van Jakob merkt toch niets.’

8 Kom tot inzicht, onverstandigen.
Dwazen, worden jullie ooit wijs?
9 Hij heeft het oor geplant – zou hij niet horen?
het oog gevormd – zou hij niet zien?

10 Die de volken leidt, de mensen leert
en vermaant – zou hij niet straffen?
11 De HEER kent de mensen,
niet meer dan lucht zijn hun gedachten.

12 Gelukkig de mens, HEER, die door u wordt geleid
en onderwezen in uw wet en uw leer.
13 Hij zal rust vinden in kwade dagen,
terwijl voor de wettelozen een kuil wordt gegraven.

14 Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten,
zijn liefste bezit niet verlaten.
15 De rechtspraak voegt zich weer naar het recht,
de oprechten van hart sluiten zich aan.

16 Wie treedt voor mij op tegen die onrechtvaardigen,
wie beschermt mij tegen die schurken?
17 Had de HEER mij niet geholpen,
dan woonde ik al in de stilte van het graf.

18 Toen ik dacht: Mijn voet glijdt weg,
hield uw trouw mij staande, HEER.
19 Toen ik door zorgen werd overstelpt,
was uw troost de vreugde van mijn ziel.

20 Kiest u de kant van verdorven rechters,
die onheil stichten in naam van de wet?
21 Ze spannen samen tegen de rechtvaardigen
en veroordelen onschuldigen ter dood!

22 De HEER is mijn burcht geworden,
mijn God de rots waarop ik schuil.
23 Hij geeft de schuldigen het loon dat zij verdienen,
om hun onrecht brengt hij hen tot zwijgen,
de HEER, onze God, brengt hen voorgoed tot zwijgen.

1 Koningen 1-2

1 Koningen
Salomo tot koning gezalfd
1
1 Koning David was op hoge leeftijd gekomen. Hoewel men hem met dekens toedekte, kon hij het niet meer warm krijgen. 2 Zijn hovelingen zeiden tegen hem: ‘Laat ons een jong meisje voor u zoeken, mijn heer en koning, dat u gezelschap kan houden en verzorgen. Laat haar in uw schoot slapen, dan zult u weer warm worden.’ 3 Ze gingen overal in Israël op zoek naar een mooi meisje, en de keus viel op Abisag uit de stad Sunem. Haar brachten ze bij de koning. 4 Ze was werkelijk bijzonder mooi. Ze verzorgde de koning en bediende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar.
5 Intussen liet Adonia, een zoon van David en Chaggit, zich erop voorstaan dat hij koning zou worden. Hij schafte zich wagens en paarden aan en nam een escorte van vijftig man in dienst. 6 Zijn vader viel hem toch nooit lastig met vragen over zijn doen en laten. Net als zijn oudere halfbroer Absalom was hij heel knap om te zien. 7 Hij verzekerde zich van de steun van Joab, de zoon van Seruja, en de priester Abjatar, 8 maar de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en de profeet Natan steunden Adonia niet, evenmin als Simi, Reï en Davids helden. 9 Adonia hield een offerfeest in de buurt van de Slangensteen, bij de Rogelbron, waar hij vetgemeste schapen, geiten en runderen slachtte. Daarbij had hij al zijn broers, de koningszonen, uitgenodigd, en alle Judese hovelingen. 10 Maar de profeet Natan, Benaja en Davids helden had hij niet uitgenodigd, en zijn broer Salomo ook niet.
11 Natan zei tegen Batseba, de moeder van Salomo: ‘Hebt u het gehoord? Adonia, de zoon van Chaggit, is buiten medeweten van onze heer David tot koning uitgeroepen. 12 Laat mij u raad geven: stel uw leven en dat van uw zoon Salomo in veiligheid! 13 Ga naar koning David en zeg hem: “Hebt u, mijn heer en koning, mij niet zelf gezworen dat mijn zoon Salomo na u koning zou zijn, en dat hij op uw troon zou zitten? Waarom is Adonia dan koning geworden?” 14 Terwijl u met de koning spreekt, zal ik binnenkomen en uw woorden aanvullen.’ 15 Batseba ging het vertrek binnen waar de oude koning werd verzorgd door Abisag uit Sunem. 16 Ze knielde voor de koning neer en boog diep voorover, en hij vroeg haar wat ze wenste. 17 ‘Mijn heer,’ antwoordde ze, ‘u hebt me bij de HEER, uw God gezworen: “Jouw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten.” 18 Maar nu is buiten uw medeweten Adonia tot koning uitgeroepen. 19 Hij heeft een offerfeest gehouden en een stier en een groot aantal vetgemeste schapen en geiten geslacht. Alle koningszonen heeft hij uitgenodigd, en ook de priester Abjatar en opperbevelhebber Joab, maar uw dienaar Salomo niet. 20 Nu, mijn heer en koning, zijn de ogen van heel Israël op u gericht. Van u wil men horen wie er na u op uw troon zal zitten. 21 Anders zullen mijn zoon Salomo en ik na uw dood van hoogverraad beschuldigd worden.’ 22 Terwijl Batseba met de koning sprak, kwam de profeet Natan zijn opwachting maken. 23 Men kondigde de koning aan: ‘Natan de profeet!’ Natan knielde voor de koning neer, boog diep voorover 24 en vroeg: ‘Mijn heer en koning, hebt u niet gezegd: “Adonia zal koning zijn na mij, en hij zal op mijn troon zitten”? 25 Adonia is vandaag namelijk naar de Rogelbron gegaan om een offerfeest te houden. Hij heeft een stier en een groot aantal vetgemeste schapen en geiten geslacht. Alle koningszonen heeft hij uitgenodigd, en ook de bevelhebbers en de priester Abjatar. Nu zijn zij allen met hem aan het eten en drinken, en ze roepen: “Leve koning Adonia!” 26 Maar mij, uw dienaar, heeft hij niet uitgenodigd, evenmin als de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo. 27 Als dit van u is uitgegaan, mijn heer en koning, waarom hebt u mij dan niet laten weten wie er na u op uw troon zou zitten?’
28 Koning David nam het woord en beval: ‘Laat Batseba hier komen.’ Batseba liep op de koning toe en ging voor hem staan, 29 en de koning zwoer: ‘Zo waar de HEER leeft, die mij steeds uit de nood heeft gered, 30 vandaag zal ik doen wat ik je bij de HEER, de God van Israël, gezworen heb: je zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal in mijn plaats op mijn troon zitten.’ 31 Batseba knielde neer, boog diep voorover en zei: ‘Moge mijn heer, koning David, leven tot in eeuwigheid.’
32 Toen beval koning David: ‘Laat de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, hier komen.’ Zij kwamen naar de koning toe 33 en deze zei: ‘Roep mijn hovelingen bijeen, laat mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier rijden en begeleid hem naar de Gichonbron. 34 Daar moeten de priester Sadok en de profeet Natan hem zalven tot koning van Israël. Blaas vervolgens op de ramshoorn en roep: “Leve koning Salomo!” 35 Trek dan in zijn gevolg de stad weer binnen. Als hij hier aangekomen is, zal hij plaatsnemen op mijn troon en in mijn plaats koning zijn. Hem wijs ik aan als vorst over Israël en Juda.’ 36 Benaja antwoordde de koning: ‘Zo zij het! Moge de HEER, de God van mijn heer en koning, uw woorden bekrachtigen. 37 Moge de HEER Salomo terzijde staan zoals hij mijn heer en koning terzijde heeft gestaan, en moge hij zijn troon nog machtiger maken dan de troon van mijn heer, koning David.’ 38 De priester Sadok, de profeet Natan en Benaja met de Keretieten en Peletieten begeleidden Salomo, die op het muildier van koning David reed, naar de Gichonbron. 39 De priester Sadok nam de hoorn met olie, die hij uit het heiligdom had meegenomen, en zalfde Salomo. Toen werd er op de ramshoorn geblazen en iedereen riep: ‘Leve koning Salomo!’ 40 De hele menigte volgde hem terug naar het paleis. Ze bliezen op schalmeien en juichten zo luid, dat de aarde ervan dreunde.
41 Adonia en al zijn gasten waren juist aan het einde van de maaltijd gekomen toen dit rumoer tot hen doordrong. Toen Joab het geluid van de ramshoorn herkende, vroeg hij: ‘Waarom komt er zo’n lawaai uit de stad?’ 42 Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Jonatan aan, de zoon van de priester Abjatar. Adonia zei: ‘Kom eens hier, op jou kan ik vertrouwen, dus je zult wel goed nieuws brengen.’ 43 Maar Jonatan antwoordde: ‘Integendeel! Onze heer, koning David, heeft Salomo tot koning uitgeroepen. 44 Hij heeft de priester Sadok en de profeet Natan met hem meegestuurd, en ook Benaja met de Keretieten en Peletieten. Ze hebben hem op het muildier van de koning laten rijden, 45 en bij de Gichonbron hebben Sadok en Natan hem tot koning gezalfd. Daarna gingen ze onder gejuich weer terug naar het paleis, en nu gonst heel de stad van vreugde; dat is het lawaai dat u hoort. 46 Bovendien heeft Salomo plaatsgenomen op de koningstroon. 47 Hovelingen kwamen onze heer, koning David, gelukwensen met de woorden: “Moge uw God de naam van Salomo nog groter maken dan uw naam en zijn troon nog machtiger dan de uwe.” Hierop boog de koning diep voorover op zijn bed. 48 Ook zei hij: “Geprezen zij de HEER, de God van Israël, dat ik zelf nog heb mogen meemaken dat hij mij een troonopvolger heeft gegeven.”’ 49 De schrik sloeg de gasten van Adonia om het hart. Allen stonden op en gingen snel naar huis. 50 Ook Adonia was bang voor Salomo. Hij ging naar het heiligdom en greep de horens van het altaar vast. 51 Men vertelde Salomo dat Adonia zich uit angst voor de koning aan de horens van het altaar had vastgeklampt met de woorden: ‘Laat koning Salomo mij eerst zweren dat hij mij niet ter dood zal laten brengen.’ 52 En Salomo zei: ‘Als hij zich behoorlijk gedraagt, zal hem geen haar worden gekrenkt, maar zodra hij een misstap begaat, zal hij sterven.’ 53 Koning Salomo liet hem van het altaar af halen. Adonia verscheen voor koning Salomo en knielde voor hem neer, en Salomo zei hem: ‘Je kunt gaan.’

Davids laatste wilsbeschikking
2
1 Toen David zijn einde voelde naderen, droeg hij zijn zoon Salomo op: 2 ‘Ik moet nu heengaan, net als iedereen. Wees sterk en laat zien dat je een man bent. 3 Houd je aan je verplichtingen tegenover de HEER, je God: gehoorzaam hem en neem zijn bepalingen, geboden, rechtsregels en voorschriften in acht, zoals die zijn vastgelegd in de wetten van Mozes. Dan zul je slagen in alles wat je doet en onderneemt, 4 en dan zal de HEER zijn woord aan mij gestand doen: Als je zonen het rechte pad houden en mij met hart en ziel toegewijd blijven, dan zal er altijd een van jouw nakomelingen op de troon van Israël zitten. 5 En er is nog iets: je weet wat Joab, de zoon van Seruja, mij heeft aangedaan – wat hij de twee opperbevelhebbers van het leger van Israël heeft aangedaan, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter. Die heeft hij vermoord. Hij heeft nodeloos bloed vergoten in vredestijd en zo zijn soldateneer met bloed bevlekt. 6 Laat je door je wijsheid leiden en gun hem geen vredige dood op zijn oude dag. 7 Maar de zonen van Barzillai uit Gilead moet je goed behandelen. Laat hen aan je hof te gast zijn, want zij hebben mij gastvrij onthaald toen ik op de vlucht was voor je broer Absalom. 8 Dan is er nog de Benjaminiet Simi, de zoon van Gera, uit Bachurim. Hij heeft me de vreselijkste verwensingen naar het hoofd geslingerd toen ik op weg was naar Machanaïm. Later is hij me bij de Jordaan tegemoet gekomen, en toen heb ik hem bij de HEER gezworen dat ik hem niet ter dood zou brengen. 9 Maar jij moet hem niet ongestraft laten. Je bent een verstandig man, dus je weet wat je te doen staat: laat hem op zijn oude dag een gewelddadige dood sterven.’
10 David stierf en werd begraven in de Davidsburcht. 11 Veertig jaar lang was hij koning van Israël geweest: zeven jaar in Hebron en drieëndertig jaar in Jeruzalem. 12 Salomo besteeg de troon van zijn vader David en regeerde met vaste hand.
13 Op zekere dag wendde Adonia, de zoon van Chaggit, zich tot Batseba, de moeder van Salomo. ‘Kan ik u met een gerust hart ontvangen?’ vroeg ze. ‘Wees gerust,’ antwoordde hij, 14 ‘ik wil u alleen maar iets vragen.’ ‘Ga uw gang,’ zei Batseba. 15 Toen zei Adonia: ‘U weet dat het koningschap mij toekwam; heel Israël verwachtte dat ik koning zou worden. Maar de HEER besliste anders en het koningschap ging over op mijn broer. 16 Nu heb ik een verzoek aan u, alstublieft, weiger het me niet.’ ‘Ga verder,’ zei Batseba. 17 ‘Wilt u aan Salomo, de koning, vragen of hij me de hand schenkt van Abisag uit Sunem? U zal hij het immers niet weigeren.’ 18 ‘Goed,’ zei Batseba, ‘ik zal bij de koning voor u pleiten.’ 19 Batseba ging naar de koning om met hem over Adonia te spreken. De koning stond op, kwam haar tegemoet en knielde voor haar. Toen ging hij weer zitten en liet voor de koningin-moeder een tweede troon aandragen. Ze nam plaats aan zijn rechterhand 20 en zei: ‘Ik heb een klein verzoekje aan u, alstublieft, weiger het me niet.’ De koning antwoordde: ‘Vraagt u maar, moeder, ik zal het u niet weigeren.’ 21 Batseba vroeg: ‘Kan uw broer Adonia de hand krijgen van Abisag uit Sunem?’ 22 Koning Salomo antwoordde zijn moeder: ‘Waarom vraagt u voor Adonia de hand van Abisag? Dan kunt u net zo goed het koningschap voor hem opeisen! Hij is immers ouder dan ik. Als u voor hem pleit, pleit u ook voor Abjatar en Joab!’ 23 Toen zwoer de koning bij de HEER: ‘God mag met mij doen wat hij wil als Adonia dit verzoek niet met zijn leven zal bekopen! 24 Zo waar de HEER leeft, die mij heeft aangesteld en me op de troon van mijn vader David heeft geplaatst en die mijn koningshuis gevestigd heeft zoals hij had beloofd, zo waar zal Adonia vandaag nog sterven!’ 25 Benaja, de zoon van Jojada, werd door koning Salomo belast met de opdracht Adonia ter dood te brengen.
26 Tegen de priester Abjatar zei de koning: ‘Ga terug naar Anatot, naar uw landerijen. Eigenlijk verdient u de doodstraf, maar voor deze keer zal ik u niet terechtstellen, omdat u de ark van God, de HEER, voor mijn vader David uit hebt gedragen en alle ellende met hem hebt gedeeld.’ 27 Salomo ontzette Abjatar uit het priesterambt en liet zo in vervulling gaan wat de HEER in Silo over Eli en zijn familie had verkondigd.
28 Toen Joab hiervan hoorde, vluchtte hij naar het heiligdom van de HEER en greep de horens van het altaar vast. Hij had immers de zijde van Adonia gekozen, hoewel hij Absalom niet had gesteund. 29 Men vertelde Salomo dat Joab zijn toevlucht had gezocht in het heiligdom van de HEER en zich daar aan het altaar had vastgeklampt. Salomo gaf Benaja opdracht om hem ter dood te brengen. 30 Benaja ging naar het heiligdom van de HEER en zei tegen Joab: ‘De koning zegt: “Kom naar buiten!”’ ‘Nee!’ antwoordde Joab. ‘Hier zal ik sterven.’ Benaja bracht deze weigering aan de koning over: ‘Joab zegt: “Hier zal ik sterven.”’ 31 Toen zei de koning: ‘Doe zoals hij zegt: dood hem, maar zorg wel dat hij begraven wordt. Door hem te doden zuivert u mij en mijn koningshuis van het onschuldig bloed dat hij vergoten heeft. 32 De HEER zal het hem met de dood laten bekopen dat hij twee mannen heeft vermoord die allebei beter en rechtvaardiger waren dan hij. Buiten medeweten van mijn vader David heeft hij hen gedood: Abner, de zoon van Ner, de opperbevelhebber van het leger van Israël, en Amasa, de zoon van Jeter, de opperbevelhebber van het leger van Juda. 33 Moge hun bloed gewroken worden aan Joab en al zijn nakomelingen; de HEER geve dat de nakomelingen en het koningshuis van David in vrede voortbestaan.’ 34 Benaja ging terug naar Joab en bracht hem ter dood. Hij werd bijgezet in zijn familiegraf in de woestijn. 35 In Joabs plaats werd Benaja, de zoon van Jojada, door de koning benoemd tot opperbevelhebber van het leger; de priester Sadok was benoemd in de functie van Abjatar.
36 Vervolgens ontbood de koning Simi, de zoon van Gera, en zei tegen hem: ‘U kunt in Jeruzalem voor uzelf een huis bouwen en er gaan wonen, maar u mag de stad niet verlaten om ergens anders heen te gaan. 37 Zodra u de stad verlaat en de Kidron oversteekt, bent u ten dode opgeschreven, wees daarvan verzekerd. U hebt uw dood dan aan uzelf te wijten.’ 38 Simi antwoordde: ‘Het is goed, mijn heer en koning, ik zal doen wat u zegt,’ en hij bleef in Jeruzalem wonen. 39 Maar na verloop van drie jaar liepen twee van zijn slaven weg naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gat. Toen Simi vernam waar zijn slaven waren, 40 zadelde hij zijn ezel en vertrok hij naar Gat, om ze bij Achis op te halen en terug te brengen naar Jeruzalem. 41 Toen koning Salomo vernam dat Simi van Jeruzalem naar Gat was gegaan en weer was teruggekomen, 42 ontbood hij hem en zei: ‘Heb ik u niet bij de HEER gezworen en gewaarschuwd dat u ten dode opgeschreven zou zijn wanneer u de stad zou verlaten om ergens anders heen te gaan? En hebt u toen niet geantwoord: “Ik heb het gehoord, het is goed”? 43 Waarom hebt u zich niet gehouden aan de eed die ik de HEER gezworen heb, en mijn bevel niet opgevolgd?’ 44 En de koning vervolgde: ‘U weet maar al te goed wat u mijn vader David hebt aangedaan. De HEER zal u uw wandaad vergelden; 45 maar ik, koning Salomo, ben gezegend, en Davids troon zal nooit wankelen voor de HEER.’ 46 De koning gaf Benaja opdracht om Simi ter dood te brengen.
Zo kreeg Salomo de macht stevig in handen.

Psalm 37

37

1 Van David.

Erger je niet aan slechte mensen,
wees niet jaloers op wie kwaad doen,
2 zij verdorren snel als gras,
zij verwelken als het jonge groen.

3 Vertrouw op de HEER en doe het goede,
bewoon het land en leef er veilig.
4 Zoek je geluk bij de HEER,
hij zal geven wat je hart verlangt.

5 Leg je leven in de handen van de HEER,
vertrouw op hem, hij zal dit voor je doen:
6 het recht zal dagen als het morgenlicht,
de gerechtigheid stralen als de middagzon.

7 Blijf kalm en wacht op de HEER,
erger je niet aan wie slaagt in het leven,
aan wie met listen te werk gaat.

8 Wind je niet op, laat je woede varen,
erger je niet, dat brengt maar onheil.
9 Slechte mensen worden verdelgd,
wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten.

10 Nog even, en verdwenen is de zondaar,
je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet.
11 Wie nederig zijn, zullen het land bezitten
en gelukkig leven in overvloed en vrede.

12 De zondaar belaagt de rechtvaardige
met een grijns op zijn gezicht.
13 Maar de Heer lacht hem uit
en ziet de dag al van zijn ondergang.

14 Zondaars trekken hun zwaard
en spannen hun boog,
om zwakken en armen te doden,
om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan.
15 Maar het zwaard dringt in hun eigen hart
en hun bogen worden gebroken.

16 Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft
dan de rijkdom van talloze zondaars.
17 De macht van de zondaars wordt gebroken,
maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen.

18 De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan,
hun bezit blijft voor eeuwig behouden.
19 Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen,
in tijden van hongersnood hebben zij te eten.

20 De zondaars zullen ten onder gaan,
de vijanden van de HEER verdwijnen
als bloemen in het veld, verdwijnen als rook.

21 De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug,
de rechtvaardige geeft, uit mededogen.
22 Gods gezegenden zullen het land bezitten,
de vervloekten worden verdelgd.

23 Wie de HEER welgevallig is,
mag zijn weg gaan met vaste tred.
24 Al komt hij ten val, hij blijft niet liggen,
want de HEER richt hem op.

25 Ooit was ik jong, nu ben ik oud,
en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten,
nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood;
26 hij is vol mededogen en leent uit, elke dag,
voor zijn kinderen is hij een zegen.

27 Mijd het kwade en doe het goede,
en je zult voor eeuwig wonen in het land,
28 want de HEER heeft gerechtigheid lief,
wie hem trouw zijn, verlaat hij niet.

Zij blijven voor eeuwig behouden,
maar het nageslacht van zondaars wordt verdelgd.
29 De rechtvaardigen zullen het land bezitten
en het bewonen, hun leven lang.

30 De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid,
zijn tong spreekt gerechtigheid,
31 hij draagt de wet van God in zijn hart
en zijn voeten struikelen niet.

32 De zondaar loert op de rechtvaardige
en zoekt een kans om hem te doden,
33 maar de HEER laat zijn dienaar niet los:
wordt hij aangeklaagd, vrijspraak zal volgen.

34 Vestig je hoop op de HEER
en blijf op de weg die hij wijst,
hij zal je aanzien geven en grondbezit,
je zult beleven dat zondaars worden verdelgd.

35 Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter,
hij groeide uit als een woekerende laurier;
36 op een dag was hij verdwenen,
ik zocht hem en ik vond hem niet.

37 Zie de onschuldigen, kijk naar de oprechten:
wie vredelievend zijn hebben de toekomst.
38 Maar zondaars worden verdelgd,
er is geen toekomst voor een slecht mens.

39 De rechtvaardigen vinden redding bij de HEER,
hij is hun toevlucht in tijden van nood.
40 De HEER heeft hen altijd geholpen en bevrijd,
hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, hij redt hen,
want zij schuilen bij hem.

Psalm 71

71

1 Bij u, HEER, schuil ik,
maak mij nooit te schande,
2 red en bevrijd mij, doe mij recht,
hoor mij en kom mij te hulp.

3 Wees de rots waarop ik kan wonen,
waar ik altijd heen kan gaan.
U hebt mijn redding bevolen,
mijn rots en mijn burcht, dat bent u.

4 Mijn God, bevrijd mij uit de hand van schurken,
uit de greep van wrede onderdrukkers.
5 U bent mijn enige hoop,
HEER, mijn God,
van jongs af vertrouw ik op u.
6 Al vanaf mijn geboorte steun ik op u,
al in de moederschoot was u het die mij droeg,
u wil ik altijd loven.

7 Voor velen ben ik een teken,
u bent mijn veilige schuilplaats.
8 Heel de dag is mijn mond
vervuld van uw lof en uw luister.

9 Verstoot mij niet nu ik oud word,
verlaat mij niet nu mijn kracht bezwijkt.
10 Mijn vijanden spreken over mij,
ze loeren op mij en spannen samen,
11 ze zeggen: ‘God heeft hem verlaten,
jaag hem op, grijp hem, niemand die hem redt.’

12 God, blijf niet ver van mij,
mijn God, kom mij haastig te hulp,
13 laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken,
wie mijn ongeluk zoeken, met schande worden bedekt.

14 Ik blijf naar u uitzien, altijd,
u lof brengen, meer en meer.
15 Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid,
van uw reddende daden, dag aan dag,
hun aantal kan ik niet tellen.
16 Spreken zal ik over uw macht, HEER, mijn God,
de rechtvaardigheid roemen van u alleen.

17 God, u onderwees mij van jongs af aan,
en steeds nog vertel ik uw wonderen.
18 Nu ik oud en grijs ben,
verlaat mij niet, o God,
zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind,
kan verhalen van de macht van uw arm.

19 Uw gerechtigheid rijst hoog op, o God,
u hebt grootse daden verricht.
God, wie is aan u gelijk?
20 U hebt mij doen zien
veel ellende en nood –

laat mij nu herleven,
laat mij herrijzen
uit de diepten van de aarde.
21 Verhoog mij in aanzien,
omgeef mij met uw troost.

22 Dan zal ik u loven bij het spel op de harp,
u en uw trouw, mijn God.
Ik zal voor u zingen bij de lier,
Heilige van Israël.

23 Mijn lippen zullen juichen wanneer ik voor u zing,
ik zal jubelen omdat u mij hebt verlost.
24 Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken:
wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan.

Psalm 111-118

111

1 Halleluja!

Ik wil de HEER loven met heel mijn hart
in de grote kring van oprechten.
2 Machtig zijn de werken van de HEER,
wie ze liefheeft, onderzoekt ze.

3 Zijn daden hebben glans en glorie,
zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.
4 Hij stelde een gedenkdag in voor zijn wonderen,
genadig en liefdevol is de HEER.

5 Hij gaf voedsel aan wie hem vrezen,
eeuwig gedenkt hij zijn verbond.
6 Hij toonde zijn volk de kracht van zijn daden
en gaf hun het land van andere volken.

7 Waarheid en recht zijn het werk van zijn handen,
uit al zijn regels blijkt zijn trouw,
8 ze zijn onwrikbaar, voor altijd en eeuwig,
gemaakt volgens waarheid en recht.

9 Hij heeft zijn volk verlossing gebracht,
voor eeuwig zijn verbond ingesteld.
Heilig en ontzagwekkend is zijn naam.
10 Het begin van wijsheid is ontzag voor de HEER,
wie leeft naar zijn wet, getuigt van goed inzicht.
Zijn roem houdt stand, voor altijd.
112
1 Halleluja!

Gelukkig de mens met ontzag voor de HEER
en met liefde voor zijn geboden.
2 Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land,
de oprechten worden gezegend.

3 Rijkdom en weelde bewonen zijn huis,
en zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.
4 Hij straalt voor de oprechten als licht in het duister,
genadig, liefdevol en rechtvaardig.

5 Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig,
wie zijn zaken eerlijk behartigt.
6 De rechtvaardige komt nooit ten val,
men zal hem eeuwig gedenken.

7 Voor een vals gerucht zal hij niet vrezen,
hij is standvastig en vertrouwt op de HEER.
8 Standvastig is zijn hart en zonder vrees.
Aan het eind ziet hij zijn vijanden verslagen.

9 Gul deelt hij uit aan de armen,
zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd,
hij zal stijgen in aanzien en eer.
10 Kwaadwilligen zien het met ergernis aan,
ze verbijten zich en verliezen de moed,
al hun plannen gaan op in rook.
113
1 Halleluja!

Loof, dienaars van de HEER,
loof de naam van de HEER.
2 De naam van de HEER zij geprezen
van nu tot in eeuwigheid.
3 Van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat,
zij geloofd de naam van de HEER.

4 Verheven boven alle volken is de HEER,
verheven boven de hemel zijn luister.
5 Wie is gelijk aan de HEER, onze God,
die hoog daar boven zijn woning heeft,
6 die zijn oog richt naar beneden,
wie in de hemel en op de aarde?

7 Hij verheft uit het stof wie berooid is,
uit het vuil tilt hij op wie alles ontbeert.
8 Hij laat hem wonen bij hooggeplaatsten,
bij de hoogsten van zijn volk.
9 De onvruchtbare vrouw laat hij wonen in het huis,
een vrolijke moeder van kinderen.

Halleluja!
114
1 Toen Israël wegtrok uit Egypte,
het volk van Jakob dat vreemdtalige land verliet,
2 werd Juda zijn heiligdom,
Israël zijn koninkrijk.

3 De zee zag en vluchtte,
de Jordaan trok zich terug,
4 de bergen schrokken op als rammen,
als lammeren sprongen de heuvels op.

5 Waarvoor, zee, neem je de vlucht,
Jordaan, trek jij je terug?
6 Waarvoor, bergen, schrikken jullie op als rammen,
springen jullie, heuvels, als lammeren op?

7 ‘Voor het aanschijn van de Heer, – beef, aarde! –
voor het aanschijn van de God van Jakob.
8 Hij verandert de rots in een bron,
hard gesteente in een stroom van water.’
115
1 Niet ons, HEER, niet ons,
geef uw naam alle eer,
om uw liefde, uw trouw.
2 Waarom zeggen de volken:
‘Waar is die God van hen?’
3 Onze God is in de hemel,
hij doet wat hem behaagt.

4 Hun goden zijn van zilver en goud,
gemaakt door mensenhanden.
5 Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken,
ze hebben ogen, maar kunnen niet zien,
6 ze hebben oren, maar kunnen niet horen,
ze hebben een neus, maar kunnen niet ruiken.

7 Hun handen kunnen niet tasten,
hun voeten kunnen niet lopen,
geen geluid komt uit hun keel.
8 Zoals zij, zo worden ook hun makers,
en ieder die op hen vertrouwt.

9 Israël, vertrouw op de HEER
– hun hulp is hij, hun schild –
10 huis van Aäron, vertrouw op de HEER
– hun hulp is hij, hun schild –
11 wie de HEER vrezen, vertrouw op de HEER
– hun hulp is hij, hun schild.

12 De HEER gedenkt en zegent ons,
zegenen zal hij het volk van Israël,
zegenen het huis van Aäron,
13 zegenen wie de HEER vrezen,
van klein tot groot.

14 Moge de HEER u talrijk maken,
u en uw kinderen.
15 Moge de HEER u zegenen,
hij die hemel en aarde gemaakt heeft.
16 De hemel is de hemel van de HEER,
de aarde heeft hij aan de mensen gegeven.

17 Niet de doden loven de HEER,
niet wie zijn afgedaald in de stilte,
18 wij zijn het, wij zegenen de HEER,
van nu tot in eeuwigheid.

Halleluja!
116
1 De HEER heb ik lief, hij hoort
mijn stem, mijn smeken,
2 hij luistert naar mij,
ik roep hem aan, mijn leven lang.

3 Banden van de dood omknelden mij,
angsten van het dodenrijk grepen mij aan,
ik voelde angst en pijn.
4 Toen riep ik de naam van de HEER:
HEER, red toch mijn leven!’

5 De HEER is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming,
6 de HEER beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.

7 Kom weer tot rust, mijn ziel,
de HEER is je te hulp gekomen.
8 Ja, u hebt mijn leven ontrukt aan de dood,
mijn ogen gedroogd van tranen,
mijn voeten voor struikelen behoed.

9 Ik mag wandelen in het land van de levenden
onder het oog van de HEER.
10 Ik bleef vertrouwen, ook al zei ik:
‘Ik ben diep ongelukkig.’

11 Al te snel dacht ik:
Geen mens die zijn woord houdt.
12 Hoe kan ik de HEER vergoeden
wat hij voor mij heeft gedaan?

13 Ik zal de beker van bevrijding heffen,
de naam aanroepen van de HEER
14 en mijn geloften aan de HEER inlossen
in het bijzijn van heel zijn volk.

15 Met pijn ziet de HEER
de dood van zijn getrouwen.
16 Ach, HEER, ik ben uw dienaar,
uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares:
u hebt mijn boeien verbroken.

17 U wil ik een dankoffer brengen.
Ik zal de naam aanroepen van de HEER
18 en mijn geloften aan de HEER inlossen
in het bijzijn van heel zijn volk,
19 in de voorhoven van het huis van de HEER,
binnen uw muren, Jeruzalem.

Halleluja!
117
1 Loof de HEER, alle volken,
prijs hem, alle naties:
2 zijn liefde voor ons is overstelpend,
eeuwig duurt de trouw van de HEER.

Halleluja!

118
1 Loof de HEER, want hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.

2 Laat Israël zeggen:
‘Eeuwig duurt zijn trouw’ –
3 het huis van Aäron zeggen:
‘Eeuwig duurt zijn trouw’ –
4 wie de HEER vreest, zeggen:
‘Eeuwig duurt zijn trouw.’

5 In mijn nood heb ik geroepen: ‘HEER!’
En de HEER antwoordde, hij gaf mij ruimte.
6 Met de HEER aan mijn zijde heb ik niets te vrezen,
wat kunnen mensen mij doen?
7 Met de HEER, mijn helper, aan mijn zijde,
kijk ik op mijn haters neer.

8 Beter te schuilen bij de HEER
dan te vertrouwen op mensen.
9 Beter te schuilen bij de HEER
dan te vertrouwen op mannen met macht.

10 Alle volken hadden mij ingesloten
– ik weerstond ze met de naam van de HEER
11 ze sloten mij van alle kanten in
– ik weerstond ze met de naam van de HEER
12 ze sloten mij in als een zwerm bijen
maar doofden snel als een vuur van dorens
– ik weerstond ze met de naam van de HEER.

13 Jullie sloegen mij en ik viel,
maar de HEER heeft geholpen.
14 De HEER is mijn sterkte, mijn lied,
hij gaf mij de overwinning.

15 Hoor, gejubel om de overwinning
in de tenten van de rechtvaardigen:
de rechterhand van de HEER doet machtige daden,
16 de rechterhand van de HEER verheft mij,
de rechterhand van de HEER doet machtige daden.

17 Ik zal niet sterven, maar leven
en de daden van de HEER verhalen:
18 de HEER heeft mij gestraft,
maar mij niet prijsgegeven aan de dood.

19 Open voor mij de poorten van de gerechtigheid,
ik wil binnengaan om de HEER te loven.
20 Dit is de poort die leidt naar de HEER,
hier gaan de rechtvaardigen binnen.
21 Ik wil u loven omdat u antwoordde
en mij de overwinning gaf.

22 De steen die de bouwers afkeurden
is een hoeksteen geworden.
23 Dit is het werk van de HEER,
een wonder in onze ogen.

24 Dit is de dag die de HEER heeft gemaakt,
laten wij juichen en ons verheugen.
25 HEER, geef ons de overwinning,
HEER, geef ons voorspoed.

26 Gezegend wie komt met de naam van de HEER.
Wij zegenen u vanuit het huis van de HEER.
27 De HEER is God, hij heeft ons licht gebracht.
Vier feest en ga met groene twijgen
tot aan de horens van het altaar.
28 U bent mijn God, u zal ik loven,
hoog zal ik u prijzen, mijn God.

29 Loof de HEER, want hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.

1 Kronieken 26-29

De poortwachters
26
1 De afdelingen van de poortwachters:
Uit de familie van Korach: Meselemja, de zoon van Kore uit de familie van Asaf. 2 Meselemja had de volgende zonen: Zecharja, de oudste, Jediaël, de tweede, Zebadja, de derde, Jatniël, de vierde, 3 Elam, de vijfde, Jochanan, de zesde, en Eljoënai, de zevende. 4 Obed-Edom had de volgende zonen: Semaja, de oudste, Jozabad, de tweede, Joach, de derde, Sachar, de vierde, Netanel, de vijfde, 5 Ammiël, de zesde, Issachar, de zevende, en Peülletai, de achtste – God had hem rijk gezegend. 6 De zonen die Obed-Edoms zoon Semaja kreeg, waren gezaghebbende familiehoofden, want het waren dappere krijgslieden. 7 Zonen van Semaja: Otni, Refaël, Obed en Elzabad. Zijn verwanten Elihu en Semachjahu waren eveneens dappere mannen. 8 Zij en hun zonen en neven waren allen nakomelingen van Obed-Edom, stuk voor stuk dappere, op hun taak berekende mannen: tweeënzestig man uit de familie van Obed-Edom. 9 Meselemja had achttien zonen en broers, allemaal dappere mannen. 10 Chosa, uit de familie van Merari, had de volgende zonen: Simri, de belangrijkste – hij was niet de oudste, maar zijn vader had hem boven zijn broers verheven –, 11 Chilkia, de tweede, Tebaljahu, de derde, en Zecharja, de vierde. Alle zonen en broers meegerekend telde de familie van Chosa dertien mannen.
12 Net zoals hun verwanten deden ook de poortwachters, in afdelingen ingedeeld naar hun hoofdmannen, bij toerbeurt dienst bij de tempel van de HEER. 13 De verschillende poorten werden door loting aan de hoofdmannen toegewezen, zonder onderscheid te maken tussen jong en oud. 14 Het lot voor de wacht in het oosten viel op Selemja. Daarna werd er geloot voor zijn zoon Zecharja, een wijze raadsman. Zijn lot viel op het noorden. 15 Het lot van Obed-Edom viel op het zuiden, dat van zijn zonen op de voorraadkamers, 16 en dat van Suppim en Chosa op het westen, met de Sallechetpoort aan het eind van de Trappenstraat. Voor alle wachtdiensten gold hetzelfde: 17 dagelijks stonden er zes Levieten in het oosten, vier in het noorden, vier in het zuiden, bij de voorraadkamers telkens twee 18 en bij de zuilengang in het westen vier aan de straatkant en twee in de zuilengang. 19 Dit waren de afdelingen van de poortwachters uit de familie van Korach en de familie van Merari.
De schatbewaarders, rechters en bestuursambtenaren
20 Andere Levieten kregen de volgende taken:
Achia werd belast met het toezicht op de schatkamers van de tempel van God en de schatkamers waar de wijgeschenken werden bewaard. 21-22 Ook Jechiëls nakomelingen Zetam en zijn broer Joël, uit de familie van Ladan, werden belast met het toezicht op de schatkamers van de tempel van de HEER. De hoofden van de familie van de Gersoniet Ladan waren namelijk afstammelingen van Jechiël. 22 [21–22]
23 De afstammelingen van Amram, Jishar, Chebron en Uzziël kregen de volgende taken: 24 Sebuel, een afstammeling van Mozes’ zoon Gersom, werd opperschatbewaarder. 25 Een familielid van hem was Selomit, de zoon van Zichri, die de zoon was van Joram, de zoon van Jesaja, de zoon van Rechabja, de zoon van Eliëzer. 26 Deze Selomit en zijn verwanten werden belast met het toezicht op de schatkamers waar de wijgeschenken werden bewaard die door koning David, de familiehoofden, de bevelhebbers over duizend en die over honderd man en de legeraanvoerders aan de HEER waren afgestaan; 27 zij hadden steeds een deel van hun oorlogsbuit geheiligd om het heiligdom van de HEER te onderhouden. 28 Ook de voorwerpen die aan de HEER waren afgestaan door de ziener Samuel, door Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, Joab, de zoon van Seruja, en vele anderen, werden toevertrouwd aan de zorg van Selomit en zijn familie.
29 Kenanja en zijn zonen, uit de familie van Jishar, werden benoemd als griffiers en rechters buiten Jeruzalem. 30 Chasabja en zijn verwanten, zeventienhonderd aanzienlijke mannen uit de familie van Chebron, behartigden de staatszaken van Israël in het gebied ten westen van de Jordaan. Zij dienden zowel de belangen van de HEER als de belangen van de koning. 31 Jeria, het hoofd van de familie van Chebron – toen de stamboom van zijn familie in het veertigste regeringsjaar van David werd onderzocht, bleek in Jazer in Gilead een aantal aanzienlijke personen te wonen – 32 werd met zijn verwanten, zevenentwintighonderd aanzienlijke familiehoofden, door koning David belast met het toezicht op de godsdienstige en bestuurlijke zaken in de stamgebieden van Ruben, Gad en Oost-Manasse.

Indeling van de overige Israëlieten
27
1 Hier volgen de Israëlieten die in afdelingen van vierentwintigduizend man bij toerbeurt één maand per jaar opkwamen, met hun familiehoofden en de bevelhebbers over de eenheden van duizend en van honderd man, die samen met hun ambtenaren alles wat de dienstplicht betrof voor de koning regelden. 2-3 Aan het hoofd van de eerste afdeling, voor de eerste maand, stond Jasobam, de zoon van Zabdiël, uit de familie van Peres. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. Hij voerde het bevel over de legeraanvoerders van de eerste maand. 3 [2–3] 4 Aan het hoofd van de afdeling voor de tweede maand stond Dodai uit Achoach. Zijn afdeling stond onder bevel van Miklot en telde vierentwintigduizend man. 5 Bevelhebber van de derde afdeling, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van de hogepriester Jojada. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 6 Dit was de beroemde Benaja, een van de dertig helden, en wel hun aanvoerder. Daarom stond zijn afdeling onder bevel van zijn zoon Ammizabad. 7 De vierde afdeling, voor de vierde maand, stond onder bevel van Asaël, de broer van Joab, en na zijn dood onder bevel van zijn zoon Zebadja. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 8 De vijfde afdeling, voor de vijfde maand, stond onder bevel van legeroverste Samhut uit Jizrach. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 9 De zesde afdeling, voor de zesde maand, stond onder bevel van Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 10 De zevende afdeling, voor de zevende maand, stond onder bevel van Cheles uit Pelon, uit de stam Efraïm. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 11 De achtste afdeling, voor de achtste maand, stond onder bevel van Sibbechai uit Chusa, uit de familie van Zerach. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 12 De negende afdeling, voor de negende maand, stond onder bevel van Abiëzer uit Anatot, uit de stam Benjamin. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 13 De tiende afdeling, voor de tiende maand, stond onder bevel van Maharai uit Netofa, uit de familie van Zerach. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 14 De elfde afdeling, voor de elfde maand, stond onder bevel van Benaja uit Piraton, uit de stam Efraïm. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 15 De twaalfde afdeling, voor de twaalfde maand, stond onder bevel van Cheldai uit Netofa, uit de familie van Otniël. Zijn afdeling telde vierentwintigduizend man.
16 Aan het hoofd van de stammen van Israël stonden de volgende personen: vorst van de stam Ruben was Eliëzer, de zoon van Zichri; van Simeon: Sefatja, de zoon van Maächa; 17 van Levi: Chasabja, de zoon van Kemuel; van de afstammelingen van Aäron: Sadok; 18 van Juda: Elihu, een broer van David; van Issachar: Omri, de zoon van Michaël; 19 van Zebulon: Jismaja, de zoon van Obadja; van Naftali: Jerimot, de zoon van Azriël; 20 van Efraïm: Hosea, de zoon van Azazjahu; van de westelijke helft van de stam Manasse: Joël, de zoon van Pedaja; 21 van de helft van Manasse die in Gilead woonde: Jiddo, de zoon van Zecharja; van Benjamin: Jaäsiël, de zoon van Abner; 22 van Dan: Azarel, de zoon van Jerocham. Dit waren de stamhoofden van Israël.
23 David telde de personen onder de twintig jaar niet mee, want de HEER had beloofd dat hij het volk van Israël even talrijk zou maken als de sterren aan de hemel. 24 Joab, de zoon van Seruja, had wel een begin gemaakt met de volkstelling, maar maakte die niet af, want Israël werd vanwege de volkstelling getroffen door een hevige toorn. De uitslag werd dan ook niet opgenomen in de kronieken van koning David.
25 Azmawet, de zoon van Adiël, kreeg de verantwoordelijkheid voor de koninklijke magazijnen. Jonatan, de zoon van Uzzia, kreeg de verantwoordelijkheid voor de voorraden in de rest van het land, in de steden en dorpen en versterkte opslagplaatsen. 26 Ezri, de zoon van Kelub, kreeg de verantwoordelijkheid voor de landarbeiders die de akkers bewerkten. 27 Simi uit Rama kreeg de verantwoordelijkheid voor de wijngaarden en de Sifmiet Zabdi voor de kelders waarin de wijn werd bewaard. 28 De Gederiet Baäl-Chanan kreeg de verantwoordelijkheid voor de olijfgaarden en de wilde vijgenbomen in het heuvelland. Joas kreeg de verantwoordelijkheid voor de opslagplaatsen voor olie. 29 De Saroniet Sitrai kreeg de verantwoordelijkheid voor het rundvee dat in de Saron weidde, en Safat, de zoon van Adlai, voor het rundvee in de valleien. 30 De Ismaëliet Obil kreeg de verantwoordelijkheid voor de kamelen en Jechdejahu uit Meronot voor de ezelinnen. 31 Jaziz, een afstammeling van Hagar, kreeg de verantwoordelijkheid voor de geiten en de schapen. Zij allen waren opzichters over de bezittingen van koning David.
32 Davids oom Jonatan was raadsheer; hij was een wijs man en vervulde de taak van hofschrijver. Jechiël, de zoon van Chachmoni, was belast met de opvoeding van de koningszonen. 33 Achitofel was ’s konings raadgever en de Arkiet Chusai was zijn vertrouwensman. 34 Achitofel werd opgevolgd door Jojada, de zoon van Benaja, en door Abjatar. Joab was bevelhebber van het koninklijke leger.

David draagt zijn taken over aan Salomo
28
1 David riep alle leiders van Israël in Jeruzalem bijeen: de stamhoofden, de hoofden van dienst, de bevelhebbers over de eenheden van duizend en van honderd man, de opzichters over het vee en de bezittingen van de koning en zijn zonen, de kamerheren, de helden, kortom alle invloedrijke personen.
2 Koning David ging staan en zei: ‘Mijn broeders, mijn volk, hoor mij aan. Ik had graag zelf een tempel gebouwd waarin de ark van het verbond met de HEER, de voetenbank van onze God, een rustplaats zou vinden. Ik was al met de voorbereidingen begonnen, 3 maar God zei tegen mij: “Jij zult voor mijn naam geen huis bouwen, want je hebt oorlogen gevoerd en bloed vergoten.” 4 De HEER, de God van Israël, heeft uit heel de familie van mijn vader juist mij gekozen om voor altijd koning van Israël te zijn. Hij koos immers Juda als leider, en uit de stam Juda de familie van mijn vader, en uit de zonen van mijn vader verkoos hij mij als koning van heel Israël. 5 En uit al mijn zonen – de HEER heeft mij immers veel zonen gegeven – verkoos hij mijn zoon Salomo om plaats te nemen op de troon van de heerschappij van de HEER over Israël. 6 Hij zei me: “Je zoon Salomo, die zal voor mij een tempel en tempelhoven bouwen. Hem heb ik als mijn zoon verkozen, voor hem zal ik een vader zijn. 7 En als hij mijn geboden en voorschriften steeds zo nauwgezet blijft naleven als hij nu doet, zal ik zijn koningschap voor altijd bestendigen.”
8 Welnu, ten aanschouwen van heel Israël, de gemeenschap van de HEER, en ten aanhoren van onze God, draag ik u op: houd u aan de geboden van de HEER, uw God, en richt u ernaar, opdat u dit goede land in bezit mag houden en het voor altijd aan uw nakomelingen kunt nalaten. 9 En jij, Salomo, mijn zoon, wees ontvankelijk voor de God van je vader en dien hem met volle overgave. Want de HEER onderzoekt alle harten en kent alle verlangens en gedachten. Als je hem zoekt, zul je hem vinden; als je hem verlaat, zal hij je voor eeuwig verstoten. 10 Zie, de HEER heeft jou uitgekozen om een tempel te bouwen die hem als heiligdom zal dienen. Ga dus vastberaden aan het werk.’
11 David overhandigde zijn zoon Salomo het bouwplan van de voorhal en de achterliggende vertrekken, van de schatkamers, de bovenzalen, de binnenvertrekken en de ruimte voor de verzoeningsrite. 12 Daarbij was ook omschreven hoe alles hem verder voor de geest stond: de tempelhoven en de voorraadkamers, de schatkamers van de tempel van God en de schatkamers voor de wijgeschenken, 13 het dienstrooster van de priesters en de Levieten, de tempeldiensten en de voorwerpen die daarbij gebruikt moesten worden, 14 tot en met het gewicht aan goud of zilver dat de voorwerpen voor de verschillende diensten moesten hebben, 15 namelijk het gewicht aan goud voor elk van de gouden lampenstandaards en de bijbehorende lampen, het gewicht aan zilver voor de zilveren lampenstandaards en de bijbehorende lampen, afhankelijk van hun functie, 16 het gewicht aan goud voor elk van de toontafels en het gewicht aan zilver voor de zilveren tafels, 17 het gewicht van de zuiver gouden drietandige vorken, offerschalen en kannen, het gewicht aan goud voor elk van de kleine gouden schaaltjes, het gewicht aan zilver voor elk van de kleine zilveren schaaltjes, 18 het gewicht aan puur goud voor het reukofferaltaar en het goud voor de uitvoering van het wagenstel, de cherubs en de vleugels die zij beschermend uitspreiden over de ark van het verbond met de HEER. 19 ‘Dit alles heb ik opgetekend op aanwijzing van de HEER, die mij heeft laten zien hoe het bouwplan moet worden uitgevoerd.’
20 Tot slot zei David tegen zijn zoon Salomo: ‘Wees vastberaden en standvastig, ga aan het werk, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want God, de HEER, mijn God, staat je terzijde. Hij zal je niet verlaten en niet van je zijde wijken zolang de uitvoering van het werk aan de tempel van de HEER niet is voltooid. 21 En verder zijn er de afdelingen van de priesters en de Levieten voor de verschillende onderdelen van de tempeldienst, staan allerlei vaklieden klaar om het werk uit te voeren en zullen de leiders en het gewone volk al je bevelen opvolgen.’

29
1 Daarna wendde David zich tot de verzamelde Israëlieten: ‘God heeft mijn zoon Salomo uitgekozen, hem alleen, een jongeman nog, zonder ervaring. Zijn taak is zwaar, want de burcht die hij moet bouwen is niet voor een mens bestemd, maar voor God, de HEER. 2 Ikzelf heb me tot het uiterste ingespannen om zo veel mogelijk materiaal voor de tempel van mijn God bijeen te brengen: ik heb goud verzameld voor de gouden voorwerpen, zilver voor die van zilver, koper voor die van koper, ijzer voor die van ijzer, hout voor die van hout, en verder een grote hoeveelheid onyx en edelstenen om in te zetten, mozaïeksteentjes om in te leggen en allerlei andere kostbare gesteenten en soorten marmer. 3 Bovendien, de tempel van mijn God gaat mij zo ter harte, ik stel boven op alles wat ik al voor het heilige huis bijeen heb gebracht mijn hele persoonlijke vermogen aan goud en zilver voor de tempel van mijn God ter beschikking: 4 drieduizend talent goud uit Ofir en zevenduizend talent puur zilver om de wanden van de vertrekken mee te versieren, 5 goud voor de gouden voorwerpen die de ambachtslieden zullen maken en zilver voor die van zilver. Wie van u stelt zich vandaag in dienst van de HEER door een vrijwillige gave te schenken?’
6 De familiehoofden en de stamhoofden van Israël, de bevelhebbers over de eenheden van duizend en van honderd man en de hoofden van dienst schonken allen een vrijwillige gave. 7 Zij stonden voor het werk aan de tempel van God vijfduizend talent baar goud en tienduizend gouden munten af, tienduizend talent zilver, achttienduizend talent koper en honderdduizend talent ijzer. 8 Wie edelstenen bezat, stelde ze ter hand aan de Gersoniet Jechiël ten bate van de schatkamer van de tempel van de HEER. 9 Het volk bracht zijn gaven met vreugde, want men was van ganser harte bereid een bijdrage te schenken voor de HEER. Ook koning David was zeer verheugd.
10 Toen loofde David de HEER, ten aanhoren van de hele gemeenschap. Hij zei: ‘Geprezen bent u, HEER, God van onze voorvader Israël, voor altijd en eeuwig. 11 U, HEER, bent groots en machtig, vol luister, roem en majesteit. Alles in de hemel en op aarde behoort u toe, HEER, u bezit het koningschap en de heerschappij. 12 Roem en rijkdom zijn van u afkomstig, u heerst over alles. In uw hand liggen macht en kracht besloten, u beslist wie groot en machtig is. 13 Daarom danken wij u, onze God, en prijzen wij uw luisterrijke naam. 14 Wat ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zijn gebleken zo veel kostbaarheden af te staan? Alles is van u afkomstig, en wat wij u schenken komt uit uw hand. 15 Net als al onze voorouders zijn wij slechts vreemdelingen die als gasten bij u verblijven, ons bestaan op aarde is als een schaduw, zonder enige zekerheid. 16 HEER, onze God, al deze rijkdom die we bijeengebracht hebben om voor u een tempel te bouwen voor uw heilige naam, komt uit uw hand en aan u dragen wij die op. 17 Ik weet, mijn God, dat u de harten van de mensen beproeft en oprechtheid verlangt. Welnu, uit de oprechtheid van mijn hart heb ik u dit alles geschonken, en ook uw volk, dat hier bijeen is, heb ik zijn bijdrage met vreugde zien schenken. 18 HEER, God van onze voorouders Abraham, Isaak en Israël, koester dit blijk van de gezindheid van uw volk voor altijd en laat hun hart op u gericht zijn. 19 Geef ook dat mijn zoon Salomo met volle toewijding uw geboden, bepalingen en wetten naleeft en alles in het werk stelt om de burcht te bouwen waarvoor ik de voorbereidingen heb getroffen.’ 20 Daarna droeg David de gemeenschap op de HEER, hun God, te loven. Heel de gemeenschap loofde de HEER, de God van hun voorouders, en knielde neer en boog diep voorover voor de HEER en voor de koning.
21 De volgende dag brachten ze vredeoffers en brandoffers aan de HEER: duizend stieren, duizend volwassen rammen en duizend jonge rammen, en de bijbehorende wijnoffers. Voor de verzamelde Israëlieten werd een enorm aantal dieren geslacht. 22 Vol blijdschap aten en dronken ze die dag ten overstaan van de HEER. Davids zoon Salomo werd ten tweeden male tot koning uitgeroepen. Ten overstaan van de HEER zalfde men hem tot vorst, en Sadok tot hogepriester. 23 Zo besteeg Salomo de troon van de HEER en volgde hij zijn vader David als koning op. Hij ondervond geen tegenstand en heel Israël accepteerde hem. 24 Alle aanvoerders en helden en ook alle andere zonen van koning David betuigden hem trouw. 25 De HEER maakte dat Salomo buitengewoon veel aanzien genoot bij de Israëlieten en verleende hem een koninklijke majesteit zoals geen enkele koning van Israël vóór hem had gehad.

26 David, de zoon van Isaï, heeft over heel Israël geregeerd. 27 Hij regeerde veertig jaar over Israël, zeven jaar in Hebron en drieëndertig jaar in Jeruzalem. 28 Hij stierf in gezegende ouderdom, na een lang leven waarin hij veel roem en rijkdom had vergaard. Zijn zoon Salomo volgde hem op. 29 De geschiedenis van koning David is van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de ziener Samuel, de profeet Natan en de schouwer Gad. 30 Daarin staat zijn machtig koningschap beschreven en alles wat hij heeft meegemaakt, en de gebeurtenissen die in Israël en de andere koninkrijken hebben plaatsgevonden.



Psalm 127

127

1 Een pelgrimslied van Salomo.

Als de HEER het huis niet bouwt,
vergeefs zwoegen de bouwers;
als de HEER de stad niet bewaakt,
vergeefs doet de wachter zijn ronde.

2 Vergeefs is het
dat je vroeg opstaat,
je laat te ruste legt,
je aftobt voor wat brood –
hij geeft het zijn lieveling in de slaap.

3 Kinderen zijn een geschenk van de HEER,
de vrucht van de schoot is een beloning van God.
4 Als pijlen in de hand van een schutter,
zo zijn kinderen, verwekt in je jeugd.

5 Gelukkig de man
wiens koker is gevuld
met pijlen zoals zij.
Hij staat niet te schande
als hij zijn vijanden aanklaagt in de poort.

About this blog



De Bijbel is niet een boek wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft afgespeeld. Deze blog kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen. Door dagelijks het gedeelte te lezen wat op deze blog staat aan de hand van een chronologisch rooster, lees je in 1 jaar de hele Bijbel.

Vanaf 1 oktober 2009 wordt er elke dag om 00:01 uur Nederlandse tijd een Bijbel gedeelte op deze blog geplaatst, zodat je in chronologische volgorde jouw eigen Bijbel kunt lezen. Je kunt de Bijbel ook online lezen.

Als je op een andere datum wil starten, klik dan hier.

"Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven, zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust."
2 Timoteus 3:16

De Bijbel



De Bijbel bestaat uit een reeks aparte boeken en geschriften van verschillende lengte en stijl in verhalende vorm, in proza en poëzie, die over een periode van ongeveer duizend jaar geschreven zijn door een veertigtal verschillende auteurs.

Sommige werken in de Bijbel, zoals Hooglied, Job en delen van Jesaja worden zelfs tot de wereldliteratuur gerekend.

Wanneer lees jij de Bijbel?

Blog Statistieken


free counters

Recente reacties