7
Spreuken 7-9
1 Mijn zoon, denk altijd aan mijn uitspraken,
vergeet mijn woorden niet,
2 denk altijd aan wat ik je leer,
dan zul je blijven leven.
Koester mijn lessen als het licht in je ogen,
3 draag mijn woorden als een ring aan je vinger,
schrijf ze in je hart.
4 Zeg tegen Wijsheid: ‘Je bent mijn zuster,’
noem Inzicht je vriendin.
5 Ze behoeden je voor lichtzinnige vrouwen,
voor afgedwaalde vrouwen met hun vleierij.
6 Ik stond eens bij het raam van mijn huis,
en keek uit het venster naar buiten.
7 Ik zag daar onervaren jongens;
een van hen, ontdekte ik, was zonder verstand.
8 Hij liep door de straat,
kwam bij de hoek waar zo’n vrouw woont,
hij was vlak bij haar huis.
9 Het was in de schemering, de avond viel,
de nacht brak aan, duisternis verspreidde zich.
10 En kijk, daar komt die vrouw op hem af,
gekleed als een hoer, een listig karakter.
11 Ongedurig en losbandig,
als iemand die in huis geen rust vindt,
12 loopt ze nu eens in de straten, dan weer op de pleinen,
op elke straathoek staat ze op de loer.
13 Ze grijpt de jongen vast en kust hem,
schaamteloos kijkt ze hem aan.
14 Ze zegt: ‘Ik moest een vredeoffer brengen,
vandaag heb ik mijn geloften ingelost.
15 Daarom ben ik de deur uit gegaan,
ik ging op zoek naar jou, nu heb ik je gevonden.
16 Ik heb mijn bed al opgemaakt met kostbaar linnen,
met bontgekleurde dekens uit Egypte.
17 Ik heb het besprenkeld met mirre,
met aloë en kaneel.
18 Kom, laten we dronken worden van de liefde,
laten we genieten van het minnespel tot in de morgen.
19 Mijn man is niet thuis,
hij is ver weg, hij is op reis
20 en heeft meer dan voldoende geld bij zich.
Hij komt pas terug wanneer het vollemaan is.’
21 Zo wist ze hem te paaien met haar vleierij,
ze haalde hem over met allerlei lokkende woorden,
22 en zonder na te denken liep hij achter haar aan.
Zoals een os die naar de slachtbank gaat
bleef die dwaas aan haar geketend –
23 totdat een pijl zijn lever doorboorde,
zoals een vogel in het net vliegt
en niet merkt dat het hem zijn leven kost.
24 Nu dan, mijn zonen, luister naar mij,
schenk aandacht aan mijn woorden.
25 Volg de wegen van zo’n vrouw niet,
dwaal niet op haar paden.
26 Veel slachtoffers heeft zij gemaakt,
talloos velen zijn door haar geveld.
27 Haar woning is de toegang tot het dodenrijk,
van daar daal je af tot in de kamers van de dood.
Wijsheid spreekt
8 1 Roept Wijsheid niet,
laat Inzicht haar stem niet horen?
2 Wijsheid heeft zich opgesteld op een heuvel langs de weg,
bij het kruispunt van de wegen.
3 Bij de poorten van de stad, bij de ingang,
bij de toegangswegen klinkt haar stem:
4 ‘Mensen, tot jullie roep ik,
ik richt mij tot iedereen.
5 Onnozele mensen, word toch eens verstandig,
dwazen, denk eens na!
6 Luister, ik vertel je waardevolle dingen,
mijn woorden zijn oprecht.
7 Mijn mond verkondigt slechts de waarheid,
mijn lippen haten onbetrouwbaarheid.
8 Op mijn uitspraken kun je vertrouwen,
niets is vals en krom.
9 Wie inzicht heeft vindt ze duidelijk,
ze zijn eenvoudig voor wie kennis heeft verworven.
10 Stel mijn lessen boven zilver,
mijn kennis boven zuiver goud.
11 Wijsheid is kostbaarder dan edelstenen,
alles wat je ooit zou kunnen wensen
valt bij wijsheid in het niet.’
12 Ik, Wijsheid, ik woon bij Beraad,
door overpeinzing vind ik kennis.
13 Wie ontzag heeft voor de HEER haat het kwaad.
Ik verafschuw trots en hoogmoed,
leugens en het kwaad.
14 Bij mij vind je beraad en overleg,
ik heb inzicht, ik heb kracht.
15 Door mij regeren koningen,
bepalen heersers wat rechtvaardig is.
16 Vorsten heersen dankzij mij,
ik laat leiders rechtvaardig regeren.
17 Wie mij liefheeft, heb ik ook lief,
wie mij zoekt, zal mij vinden.
18 Rijkdom en eer zijn mijn bezit,
duurzame weelde en gerechtigheid.
19 Wat ik je geef is kostbaarder dan het zuiverste goud,
ik bied iets dat meer is dan het fijnste zilver.
20 Ik ga de weg van de rechtvaardigheid,
ik volg de paden van het recht
21 om rijk te maken wie mij liefheeft,
om zijn schatkamers te vullen.
22 De HEER heeft mij vóór al het andere verworven,
toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij.
23 Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was,
nog voor de aarde vorm kreeg.
24 Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht,
nog voor de bronnen met hun waterstromen.
25 Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht,
nog voor er heuvels waren.
26 De aarde en de velden had de HEER nog niet geschapen,
geen korrel zand was nog gemaakt.
27 Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf
en een cirkel om het water trok,
28 de wolken aan de hemelkoepel plaatste,
de oceanen bruisend op liet wellen,
29 toen hij aan de zeeën grenzen stelde,
het water met zijn woord zijn plaats gaf,
de fundamenten van de aarde legde.
30 Ik was zijn lieveling,
een bron van vreugde, elke dag opnieuw.
Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid,
31 vond vreugde in zijn hele aarde
en was blij met alle mensen.
32 Nu dan, zonen, luister naar mij,
gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft.
33 Luister naar wat ik je leer, en word wijs,
negeer mijn lessen niet.
34 Gelukkig is elk mens die naar mij luistert,
dag in dag uit bij mijn woning staat,
de wacht houdt bij mijn deur.
35 Want wie mij vindt, vindt het leven,
en ontvangt de gunst van de HEER.
36 Wie aan mij voorbijgaat, doet zichzelf veel kwaad,
wie mij haat, bemint de dood.
Wijsheid en Dwaasheid
9 1 Wijsheid heeft haar huis gebouwd,
zeven zuilen heeft ze uitgekapt.
2 Ze heeft haar vee geslacht, haar wijn gemengd,
haar tafel heeft ze gedekt.
3 Haar dienaressen heeft zij de stad in gestuurd,
zelf roept zij vanaf de hoogste plaats:
4 ‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’
Wie geen verstand heeft roept ze toe:
5 ‘Kom, eet het brood dat ik je geef,
drink de wijn die ik heb gemengd.
6 Wees niet langer zo onnozel,
leef, en betreed de weg van het inzicht.’
7 Wie een spotter terechtwijst, wordt bespot,
wie een goddeloze de les leest, wordt belachelijk gemaakt.
8 Wijs een spotter niet terecht, hij zou je haten,
berisp een wijze, en hij mag je graag.
9 Een wijze wordt nog wijzer als je hem berispt,
een rechtvaardige vergroot zijn inzicht door wat je hem leert.
10 Wijsheid begint met ontzag voor de HEER,
inzicht is vertrouwdheid met de Heilige.
11 Door mij, Wijsheid, vermeerderen de dagen van je leven,
je levensjaren nemen door mij toe.
12 Als je wijs bent, heb je er zelf voordeel van,
als je spot, benadeel je jezelf.
13 Vrouwe Dwaasheid bazelt maar,
door haar domheid heeft ze nergens weet van.
14 Ze zit bij de deur van haar huis,
in een zetel, hoog in de stad.
15 Ze roept naar de voorbijgangers,
naar hen die rechtdoor willen gaan:
16 ‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’
Wie geen verstand heeft roept ze toe:
17 ‘Gestolen water smaakt verrukkelijk,
geroofd brood is een lekkernij.’
18 Maar wie zij naar zich toe lokt
weet niet dat hij afdaalt naar de schimmen,
hij daalt af tot in het dodenrijk.
Spreuken 4-6
Laat je beschermen door de wijsheid
4 1 Zonen, luister naar de lessen van je vader,
wees vol aandacht en kom tot begrip.
2 Wat ik je leer is waardevol,
sla dus mijn onderricht niet in de wind.
3 Ik was mijn vaders beminde zoon,
mijn moeders lieveling.
4 Mijn vader leerde mij:
‘Laat je hart mijn woorden bewaren,
handel naar mijn richtlijnen, dan gaat het je goed.
5 Streef naar wijsheid, zoek naar kennis,
wijk niet af van wat ik zeg, vergeet het niet.
6 Verlaat de wijsheid niet, dan beschermt ze je,
heb haar lief, dan behoedt ze je.
7 Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt,
aan alles wat je hebt verworven, inzicht toevoegt.
8 Acht de wijsheid hoog, dan geeft ze je aanzien,
ze strekt je tot eer wanneer je haar omhelst.
9 Ze legt een sierlijke krans om je hoofd,
schenkt je een luisterrijke kroon.’
10 Mijn zoon, luister, neem mijn woorden aan,
ze vermeerderen de jaren van je leven.
11 Ik heb je de weg van de wijsheid gewezen,
op rechte paden heb ik je gevoerd.
12 Je zult onbelemmerd voortgaan,
nergens zul je struikelen, al ga je nog zo snel.
13 Laat mijn onderricht niet los, houd het vast,
vergeet het nooit, het is je leven.
14 Ga niet het pad van goddelozen,
bewandel niet de weg van wie boosaardig zijn.
15 Mijd hun weg, betreed hem niet,
ga eraan voorbij, loop door.
16 Ze gaan niet slapen voor ze kwaad hebben gedaan;
wanneer ze anderen niet ten val brengen,
worden ze van hun rust beroofd.
17 Ze doen zich te goed aan het brood van goddeloosheid,
zwelgen in de wijn van het geweld.
18 De weg van de rechtvaardigen is stralend als de zon,
die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt.
19 De weg van goddelozen is alleen maar duisternis,
ze struikelen, en weten niet waarover.
20 Mijn zoon, heb aandacht voor mijn woorden,
geef aan mijn uitspraken gehoor.
21 Houd ze steeds voor ogen,
bewaar ze in het diepste van je hart.
22 Ze zijn het leven voor wie ze aanvaarden,
sterken heel het lichaam als een medicijn.
23 Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart,
het is de bron van je leven.
24 Neem nooit leugens in de mond,
laat geen bedrog over je lippen komen.
25 Je moet elk mens recht in de ogen kunnen zien,
nooit je ogen hoeven neerslaan.
26 Effen de weg waarover je gaat,
dan loop je met vaste tred.
27 Wijk niet af naar rechts, wijk niet af naar links,
wijk alleen uit voor het kwaad.
Mijd lichtzinnige vrouwen
5 1 Mijn zoon, luister naar mijn wijsheid,
schenk mijn inzicht een aandachtig oor,
2-3 opdat bezonnenheid je blijft behoeden,
kennis over je waakt bij wat je zegt tegen een lichtzinnige vrouw.
Van haar lippen komen gladde praatjes,
haar mond spreekt honingzoete woorden, 3 [2–3]
4 maar uiteindelijk zijn ze als gif zo bitter,
zo scherp als een tweesnijdend zwaard.
5 Haar pad voert naar het graf,
haar voeten dalen af in het dodenrijk.
6 Ze wil dat je de weg die naar het leven leidt niet inslaat,
haar valse sporen volg je zonder dat je het beseft.
7 Daarom, mijn zonen, luister naar mij,
wijk nooit af van wat ik zeg.
8 Blijf bij zo’n vrouw vandaan,
houd afstand van haar woning.
9 Want je zult bij anderen je eer verkwanselen,
je verspeelt je leven aan die wrede vrouw.
10 Van wat jij zo moeizaam hebt verworven,
genieten vreemde mannen in de woning van die afgedwaalde.
11 En uiteindelijk, wanneer er niets meer van je over is,
schreeuw je het uit:
12 ‘Waarom heb ik wat mij is geleerd verworpen?
Elke waarschuwing heb ik veracht.
13 Waarom heb ik niet geluisterd naar mijn leraren?
Ik sloot mijn oren voor hun raad.
14 Nu ben ik bijna te gronde gegaan,
voor ieders blik, voor het oog van alle mensen.’
15 Drink water uit je eigen bekken,
ga naar de stromen van je eigen bron.
16 Je wilt toch niet dat ze de vrije loop krijgen
en de pleinen overstromen?
17 Ze zijn van jou, van jou alleen,
laat niemand anders ervan drinken.
18 Moge je bron gezegend zijn,
moge de geliefde van je jeugd je vreugde geven.
19 Ze is zo lieflijk als een hinde, bekoorlijk als een ree.
Ze laat je altijd van haar borsten drinken,
je kunt eindeloos verzinken in haar liefde.
20 Waarom, mijn zoon, zou je dan dwalen bij een lichtzinnige vrouw,
je vlijen aan de borsten van zo’n afgedwaalde?
21 De HEER ziet alle wegen die een mens bewandelt,
al zijn stappen slaat hij gade.
22 Wie kwaad doet, zet voor zichzelf een val,
hij raakt verstrikt in de koorden van zijn zonde.
23 Omdat hij weigerde te luisteren naar een wijze les,
verdwaalt hij in zijn eigen dwaasheid
en wacht hem de dood.
Waarschuwingen wijzen de weg door het leven
6 1 Mijn zoon, als je borg staat voor een ander,
hem dat met handslag hebt beloofd,
2 als je aan je woord gebonden bent,
vastgeketend zit aan je belofte –
3 bevrijd je dan, mijn zoon,
want die ander heeft je in zijn greep.
Vooruit, vat moed, ga op hem af,
4-5 ga niet slapen, gun jezelf geen rust
voordat je je van hem hebt losgemaakt,
zoals een gazelle ontkomt aan de jager,
een vogel ontsnapt aan de vogelaar. 5 [4–5]
6 Ga naar de mieren, luiaard,
kijk hoe ze werken en word wijs.
7 Hoewel er onder hen geen leider is,
geen aanvoerder, geen koning,
8 halen ze in de zomer voedsel binnen,
leggen ze in de oogsttijd een voorraad aan.
9 Hoe lang nog, luiaard, zul je blijven slapen,
wanneer kom je uit bed?
10 Nog even dan? Nog even slapen, nog een beetje rusten,
een ogenblik nog blijven liggen?
11 Armoede overvalt je als een struikrover,
gebrek slaat je neer als een bandiet.
12 Een kwaadaardig mens, een onbetrouwbaar iemand,
strooit voortdurend leugens rond.
13 Hij knijpt heimelijk zijn oog dicht,
geeft een tikje met zijn voet, een verborgen vingerwijzing.
14 Zo iemand zit vol leugen en bedrog, is altijd uit op kwade zaken,
zaait voortdurend tweedracht.
15 Daarom gaat hij plotseling ten onder,
daarom komt hij ten val, in een oogwenk,
en hij komt het niet te boven.
16 Zes dingen haat de HEER,
zeven dingen zijn hem een gruwel:
17 ogen die hooghartig kijken en een tong die liegt,
handen die onschuldig bloed vergieten
18 en een hart dat op het kwade zint,
voeten die zich naar de misdaad reppen
19 en getuigen die bedriegen, altijd liegen,
en zij die stoken tussen broers.
Laat je niet in met de vrouw van een ander
20 Mijn zoon, houd vast aan wat je vader je opdraagt,
verwerp de lessen van je moeder niet.
21 Bind hun onderricht voor altijd op je hart,
wind het om je hals.
22 Moge het je leiden op de wegen die je gaat,
moge het over je waken als je slaapt,
moge het je raden als je wakker wordt.
23 Want de lessen van je vader en je moeder zijn een lamp,
een licht dat je vermaant en de weg wijst naar het leven.
24 Hun onderricht beschermt je tegen lichtzinnige vrouwen,
tegen de gladde woorden van een afgedwaalde vrouw.
25 Zet nooit je zinnen op haar schoonheid,
laat haar ogen je niet strikken.
26 Een hoer kost je niet meer dan een brood,
maar de vrouw van een ander jaagt op je kostbare leven.
27 Als een man vuur in een plooi van zijn mantel steekt,
vat zijn mantel dan geen vlam?
28 Als hij over gloeiende kolen loopt,
brandt hij dan zijn voeten niet?
29 Zo vergaat het een man die de vrouw van een ander omhelst,
wie zich met haar inlaat blijft niet ongestraft.
30 Een dief die steelt omdat hij honger heeft,
steelt uit noodzaak. Men veracht hem niet,
31 al moet hij het gestolene
ook zevenvoudig terugbetalen als hij wordt betrapt,
al kost het hem ook alles wat hij heeft.
32 Maar pleeg je overspel, dan heb je geen verstand,
wie zoiets doet richt zichzelf te gronde.
33 Hij zal door smaad worden getroffen
en zijn schande zal niet worden uitgewist.
34 Want door jaloezie ontsteekt een man in woede,
als hij wraak kan nemen, doet hij dat meedogenloos.
35 Hij accepteert geen zwijggeld,
blijft onverbiddelijk, ook als je de afkoopsom verhoogt.
Spreuken 1-3
Spreuken
1 1 Hier volgen de spreuken van Salomo, zoon van David en koning van Israël. 2 Ze bieden wijsheid en zijn een leidraad in het leven, verdiepen het inzicht 3 en bevatten wijze lessen over recht, rechtvaardigheid en eerlijkheid. 4 Ze vormen het ongeoefende verstand en geven de jeugd kennis en bezonnenheid. 5 Laat wie wijs is goed naar deze spreuken luisteren en nog wijzer worden. Laat wie verstandig is meer en meer de vaardigheid verwerven 6 deze spreuken en diepzinnigheden te begrijpen, deze woorden en scherpzinnigheden van de wijzen te doorgronden. 7 Het begin van alle kennis is ontzag voor de HEER; een dwaas veracht de wijsheid en weigert elk onderricht.
Hoed je voor slecht gezelschap
8 Mijn zoon, luister naar de lessen van je vader,
verwaarloos niet wat je moeder je leert.
9 Hun lessen zijn een sierlijke krans om je hoofd,
ze zijn een ketting om je hals.
10 Mijn zoon, als zondaars je proberen in te palmen,
geef er niet aan toe.
11 Luister niet naar hen
als ze je willen overhalen met hen mee te gaan,
als ze zeggen: ‘We willen bloed vergieten,
we gaan onschuldigen de dood in jagen, zonder reden,
12 we verslinden ze met huid en haar,
zoals het dodenrijk de levenden verslindt,
het graf de doden opslokt.
13 Hoeveel kostbaarheden zullen we niet vinden,
we vullen onze huizen met een rijke buit.
14 Kom, sluit je bij ons aan,
we zullen alles delen.’
15 Mijn zoon, ga niet met hen op pad,
mijd de weg die zij gaan,
16 want ze haasten zich om kwaad te doen
en zijn op bloed belust.
17 Het net wordt tevergeefs gespannen
als de vogels het bespieden.
18 Alleen hun eigen bloed zal vloeien,
hun eigen leven is hun prooi.
19 Dat is het lot van allen die uit zijn op roof,
hun pad voert naar de dood.
Oproep van Wijsheid
20 Wijsheid roept in de straten,
over de pleinen klinkt haar stem,
21 ze laat zich horen bij de poorten,
te midden van alle rumoer roept ze uit:
22 ‘Hoe lang nog, onnozele mensen,
hechten jullie aan je onvolwassenheid,
willen jullie, spotters, blijven spotten,
haten jullie, dwazen, kennis?
23 Luister, neem mijn berispingen ter harte –
dan stort ik mijn geest over je uit,
dan laat ik je delen in mijn wijsheid.
24 Maar toen ik je riep, wees je me af,
toen ik je mijn hand bood, nam je die niet aan.
25 Al mijn goede raad heb je in de wind geslagen,
elke berisping heb je genegeerd.
26 Daarom lach ik om je ongeluk,
schater ik het uit om je ellende,
27 wanneer ellende op je afkomt als een storm,
ongeluk als een onweer over je losbarst,
leed en nood je treffen.
28 Dan zul je me roepen, maar ik antwoord niet,
je zult me zoeken, maar je vindt me niet.
29 Want je was afkerig van mijn kennis
en toonde geen ontzag voor de HEER.
30 Je nam mijn raad niet aan
en verachtte mijn berispingen.
31 Daarom pluk je de wrange vruchten van je plannen,
je daden liggen je zwaar op de maag.
32 Want wie onnozel is, gaat aan zijn halsstarrigheid ten onder,
en zelfgenoegzaamheid brengt de dwazen om.
33 Maar wie naar mij luistert, zal veilig zijn,
hij hoeft geen angst te hebben voor het kwaad.’
2 Wijsheid komt van de HEER
1 Mijn zoon, als je in acht neemt wat ik zeg,
mijn richtlijnen altijd onthoudt,
2 een open oor hebt voor mijn wijsheid,
een geest die neigt naar inzicht,
3 als je erom vraagt de dingen te begrijpen,
roept om scherpzinnigheid,
4 ernaar zoekt als was het zilver,
ernaar speurt als naar een verborgen schat –
5 dan zul je ontdekken wat ontzag voor de HEER is,
dan zul je kennis van God verwerven.
6 Want het is de HEER die wijsheid schenkt,
zijn woorden bieden kennis en inzicht.
7 Aan wie rechtschapen is, geeft hij voorspoed,
voor wie op rechte wegen gaat, is hij een schild.
8 Hij waakt over het rechte pad
en beschut de weg van wie hem trouw zijn.
9 Als je in acht neemt wat ik zeg,
zul je leren wat oprecht, eerlijk en rechtvaardig is,
dan volg je altijd het juiste spoor.
10 Want wijsheid zal je geest doordringen,
je koestert je in kennis.
11 Bedachtzaamheid zal je behoeden,
inzicht houdt de wacht
12 om je af te houden van verkeerde wegen,
om je te beschermen tegen leugenaars,
13 mannen die het rechte pad hebben verlaten,
de wegen van de duisternis gaan,
14 genieten van hun slechte daden,
staan te juichen bij hun valse streken,
15 mannen die op kromme wegen gaan
en slechts een dwaalspoor volgen.
16 En inzicht houdt de wacht
om je te beschermen tegen een lichtzinnige vrouw,
die je met haar vleierij wil paaien,
17 een vrouw die ver is afgedwaald,
de geliefde van haar jeugd heeft verlaten,
het verbond met haar God is vergeten.
18 Het huis van zo’n vrouw verzinkt in de dood,
haar pad voert naar het rijk van de schimmen.
19 Niemand die bij haar komt keert ooit terug,
onbereikbaar is de weg die naar het leven leidt.
20 Houd daarom het rechte pad,
volg de weg van wie rechtvaardig zijn,
21 want wie rechtschapen zijn,
zullen wonen in het land der levenden,
wie onberispelijk hun weg gaan,
vinden er een vast verblijf.
22 Maar wie kwaad doen, worden verdreven,
wie God niet trouw zijn, worden weggevaagd.
3 Heb ontzag voor de HEER
1 Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet,
houd in je hart mijn richtlijnen vast.
2 Ze vermeerderen de dagen van je leven,
geven je vele jaren van geluk.
3 Mogen liefde en trouw je nooit verlaten,
wind ze om je hals,
schrijf ze in je hart.
4 God en de mensen zullen je genegen zijn
en je zult waardering ondervinden.
5 Vertrouw op de HEER met heel je hart,
steun niet op eigen inzicht.
6 Denk aan hem bij alles wat je doet,
dan baant hij voor jou de weg.
7 Wees niet eigenzinnig,
maar heb ontzag voor de HEER
en ga het kwaad uit de weg.
8 Het zal je sterken als een medicijn,
het verkwikt je lichaam.
9 Eer de HEER met al je rijkdom,
met het beste van de oogst.
10 Graan zal je voorraadschuren vullen,
je kuipen lopen over van wijn.
11 Mijn zoon, een berisping van de HEER
mag je nooit terzijde schuiven,
zijn bestraffing moet je zonder afschuw ondergaan,
12 want de HEER straft wie hij liefheeft,
zoals een vader die houdt van zijn zoon.
13 Gelukkig is een mens die wijsheid heeft gevonden,
een mens die inzicht wint.
14 Wijsheid levert meer op dan zilver,
geeft meer profijt dan goud,
15 is kostbaarder dan edelstenen.
Alles wat je ooit zou kunnen wensen
valt bij de wijsheid in het niet.
16 Met haar ene hand schenkt ze een lang leven,
eer en rijkdom geeft ze met haar andere hand.
17 Haar wegen zijn lieflijk,
haar paden vredig.
18 Ze is een levensboom voor wie haar omhelst,
wie haar omarmt mag zich gelukkig prijzen.
19 De HEER heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,
de hemel met inzicht gevestigd.
20 Door zijn kennis brak het water los uit de diepte
en druppelt er dauw uit de wolken.
21 Mijn zoon, streef naar bedachtzaamheid en wijs beraad,
verlies die nooit uit het oog.
22 Ze zullen een bron van leven voor je zijn,
een sieraad om je hals.
23 Je zult veilig je weg kunnen gaan,
nergens zul je struikelen.
24 Je hoeft niet bang te zijn wanneer je slapen gaat,
je slaap zal vredig zijn.
25 Je hoeft geen angst te hebben plotseling te worden opgeschrikt
door onheil dat van goddelozen komt.
26 Je kunt vertrouwen op de HEER,
hij beschermt je tegen hinderlagen.
27 Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft,
terwijl je het hem geven kunt.
28 Zeg nooit tegen je medemens:
‘Ga weg, kom morgen maar terug,’
terwijl je hebt wat je hem schuldig bent.
29 Behandel hem niet zo schandalig
terwijl hij zijn vertrouwen in je heeft gesteld.
30 Maak geen ruzie met iemand
die je geen kwaad berokkend heeft.
31 Wees niet jaloers op iemand die geweld gebruikt,
kies niet de weg die hij gaat,
32 want de HEER verafschuwt wie dat dwaalspoor gaat,
maar wie rechtschapen is, geeft hij zijn vertrouwen.
33 De HEER vervloekt het huis van goddelozen,
maar de woning van rechtvaardigen zegent hij.
34 Met spotters drijft hij de spot,
maar verschoppelingen schenkt hij zijn gunst.
35 Wijzen verwerven eer,
dwazen torsen schande.
Hooglied
Hooglied
1 1 Hooglied, van Salomo.
Zij
2 Laat hij mij kussen,
laat zijn mond mij kussen!
Jouw liefde is zoeter dan wijn,
3 zoet is de geur van je huid,
je naam is een kostbaar parfum.
Daarom houden de meisjes van jou.
4 Neem mij met je mee. Laten we rennen!
Mijn koning brengt mij in zijn kamers.
Laten we juichen en zingen om jou!
Laten we jouw liefde prijzen,
meer nog dan wijn.
Natuurlijk houden de meisjes van jou!
5 Meisjes van Jeruzalem,
donker ben ik, en mooi,
als de tenten van Kedar,
als het doek van Salomo’s tenten.
6 Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben,
omdat de zon mij heeft gebrand.
Mijn moeders zonen waren hard voor mij:
ik moest hun wijngaarden bewaken.
Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.
7 Zeg mij toch, mijn allerliefste,
waar laat jij je kudde weiden,
waar laat jij die ’s middags rusten?
langs de kudden van je vrienden gaan.
Hij
8 Als je mij niet vinden kunt,
mooiste van alle vrouwen,
volg dan het spoor van de kudde,
weid je geiten waar de herders schuilen.
9 Vriendin van mij,
met een merrie voor farao’s wagen
vergelijk ik jou!
10 Hoe lieflijk zijn je wangen en je ringen,
hoe sierlijk zijn je hals en je ketting.
11 Laten we een gouden sieraad voor je maken,
bezaaid met zilveren stipjes.
Zij
12 Nu mijn koning op zijn rustbed ligt,
geurt mijn nardus zoet.
13 Mijn lief is mij een bundel mirre,
hij slaapt tussen mijn borsten.
14 Mijn lief is mij een hennatros
in de wijngaarden van Engedi.
Hij
15 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven.
Zij
16 Wat ben je mooi, mijn lief,
wat ben je bekoorlijk.
Het groen is ons bed,
17 de balken van ons huis zijn ceders,
de binten zijn cipressen.
2
2
1 Ik ben een lelie van de Saron,
een wilde lelie in het dal.
Hij
2 Als een lelie tussen de distels,
zo is mijn vriendin tussen de meisjes.
Zij
3 Als een appelboom tussen de bomen van het bos,
zo is mijn lief tussen de jongens.
Ik verlang in zijn schaduw te zitten,
met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.
4 Hij brengt mij in het wijnhuis,
boven mij zijn vaandel van liefde.
5 Verkwik me met rozijnen,
verfris me met appels,
want ik ben ziek van liefde.
6 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
7 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Zij
8 Hoor! Mijn lief!
Kijk! Hij komt,
springend over de bergen,
dansend over de heuvels.
9 Als een gazelle is mijn lief,
als het jong van een hert.
Kijk! Hij staat al bij de muur.
Hij blikt door het venster,
tuurt door de spijlen.
10 Mijn lief roept mij toe:
‘Sta op, vriendin!
Mooi meisje, kom!
11 Kijk! De winter is voorbij,
voorbij zijn de regens, weggegaan.
12 De bloemen zijn verschenen op het veld,
nu breekt de zangtijd aan,
het koeren van de duif klinkt op het land.
13 De vijgenboom is al vol vruchten,
de wijnstok rankt en geurt.
Sta op, vriendin,
Mooi meisje, kom!
14 Mijn duif in de rotskloof,
verscholen in de bergwand,
laat mij je gezicht zien,
laat mij luisteren naar je stem,
want je stem is zo lieflijk,
je gezicht zo bekoorlijk.’
Hij en zij
15 Vang voor ons de vossen,
vang die kleine vossen.
Ze vernielen de wijngaard,
onze wijngaard vol bloeiende ranken.
Zij
16 Mijn lief is van mij,
en ik ben van hem.
Hij weidt tussen de lelies.
17 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht –
ga nu weg, mijn lief.
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de geurige bergen.
3
3
1 ’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
2 Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,
laat ik in de straten, op de pleinen,
zoeken naar mijn allerliefste.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
3 De wachters vinden mij
op hun ronde door de stad.
‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’
4 Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij
of ik vind mijn lief.
Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los
tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,
in de kamer van haar die mij baarde.
5 Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
6 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn
als een zuil van rook,
in een wolk van wierook en mirre,
in een geur van kostbare kruiden?
7 Kijk! Salomo’s draagstoel,
omringd door zestig helden
uit de keurtroepen van Israël,
8 allen met de hand op het zwaard,
geoefend in de strijd,
ieder met het zwaard op de heup,
bedacht op nachtelijk gevaar.
9 Een draagkoets maakte koning Salomo,
een koets van cederhout.
10 De stijlen zijn van zilver,
het baldakijn van goud,
de zetel is van purper.
Hij is versierd met tekens van liefde
door de meisjes van Jeruzalem.
11 Kom kijken, meisjes van Sion,
kijk naar koning Salomo!
Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide
op zijn bruiloftsdag,
de dag die zijn hart zo verblijdt.
Hij
4 1 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
je bent zo mooi!
Je ogen zijn duiven,
door je sluier heen.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van Gileads bergen.
2 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
3 Als een koord van karmozijn zijn je lippen,
je mond is betoverend.
Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
4 Je hals is als de toren van David,
die in ringen is gebouwd,
die met schilden is behangen,
met wel duizend schilden van helden.
5 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle,
die tussen de lelies weidt.
6 Nu de dag weer ademt
en het duister vlucht,
ga ik naar de mirreberg,
ga ik naar de wierookheuvel.
7 Vriendin, aan jou is alles mooi,
niets ontsiert je schoonheid.
8 Mijn bruid, ga met me mee,
kom mee, weg van de Libanon.
Daal af van de top van de Amana,
de top van de Senir, de Hermon.
Weg van de bergen waar leeuwen huizen,
weg van de holen waar panters schuilen.
9 Zusje, bruid van mij,
je brengt me in vervoering,
je brengt me in verrukking
met maar één blik van je ogen,
met één flonker van je ketting.
10 Zusje, bruid van mij,
hoe heerlijk is jouw liefde,
hoeveel zoeter nog dan wijn.
Hoeveel zoeter is je geur
dan alle balsems die er zijn.
11 Mijn bruid, je lippen druipen van honing,
melk en honing proef ik onder je tong,
je kleed geurt naar de Libanon.
12 Zusje, bruid,
een besloten hof ben jij,
een verzegelde bron.
13 Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaatappels,
met een overvloed aan vruchten,
hennabloemen, nardusplanten,
14 nardus en saffraan, kalmoes en kaneel,
wierookbomen, allerlei soorten,
mirre, aloë,
balsems, allerfijnst.
15 Je bent een bron omringd door tuinen,
een put met helder water,
een bergbeek van de Libanon.
Zij
16 Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind!
Waai door mijn hof,
laat zijn balsems geuren.
Mijn lief moet in zijn hof komen,
laat hij daar zijn zoete vruchten proeven.
Hij
5 1 Hier ben ik in mijn hof,
zusje, bruid van mij.
Ik pluk mijn mirre en mijn balsem,
ik eet mijn honing uit mijn honingraat,
ik drink mijn melk en mijn wijn.
Meisjes
Eet, vriend en vriendin!
Drink, en word dronken van liefde!
Zij
2 Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Hoor! Mijn lief klopt aan!
‘Doe open, zusje, mijn vriendin,
mijn duif, mijn allermooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken vochtig van de nacht.’
3 ‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,
moet ik het weer aandoen?
En ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?’
4 Mijn lief stak zijn hand naar binnen,
een siddering trok door mij heen – om hem!
5 Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.
Mijn handen dropen van mirre,
mirre vloeide van mijn vingers
op de grendel van de deur.
6 En ik deed open voor mijn lief,
maar hij was weg,
mijn lief was weggegaan.
Een duizeling beving mij
toen ik zag dat hij er niet meer was.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
7 De wachters vonden mij
op hun ronde door de stad.
Ze sloegen mij, ze verwondden mij,
ze rukten mij de sluier af,
de wachters van de muren.
8 Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,
als jullie mijn lief vinden,
wat zeggen jullie tegen hem?
Dat ik ziek van liefde ben.
Meisjes
9 Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
mooiste van alle vrouwen?
Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
dat je ons dit zo bezweert?
Zij
10 Mijn lief glanst en schittert,
hij steekt boven duizenden uit.
11 Zijn hoofd is van goud, het zuiverste goud,
zijn lokken zijn als dadeltrossen, ravenzwart.
12 Zijn ogen zijn als duiven
bij een stromende beek,
die baden in water,
die gedompeld zijn in melk.
13 Zijn wangen zijn als balsemtuinen,
Zijn lippen zijn als lelies,
die druipen van vloeiende mirre.
14 Zijn armen zijn als staven van goud,
met turkoois bezet.
Zijn buik is als een schijf van ivoor,
versierd met saffier.
15 Zijn benen zijn als zuilen van albast,
op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gestalte is zo fier als een ceder van de Libanon.
16 Zijn mond is zoet,
aan hem is alles begeerlijk.
Dit is mijn lief, dit is mijn vriend,
meisjes van Jeruzalem!

Meisjes
6 1 Waar is je lief naartoe gegaan,
mooiste van alle vrouwen,
waar is je lief naartoe gegaan?
Laten we hem samen zoeken.
Zij
2 Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,
naar zijn balsemtuin beneden.
Daar wil hij weiden,
daar wil hij lelies plukken.
3 Ik ben van mijn lief,
en mijn lief is van mij.
Hij weidt tussen de lelies.
Hij
4 Je bent zo mooi, vriendin van mij,
zo bekoorlijk als Tirsa,
zo lieflijk als Jeruzalem,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw.
5 Wend je ogen af, ze verwarren mij.
Je haar golft als een kudde geiten
die afdaalt van de Gilead.
6 Je tanden zijn als witte schapen:
klaar voor de scheerder
komen ze twee aan twee uit het water,
er ontbreekt er niet een.
7 Als het rood van een granaatappel
fonkelt je lach,
door je sluier heen.
8 Ook al zijn er zestig koninginnen,
en wel tachtig bijvrouwen,
meisjes zonder tal,
9 zoals mijn duif is er maar één,
mijn allermooiste is de enige.
De enige voor haar moeder is zij,
een stralend licht voor wie haar baarde.
Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,
elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.
Meisjes
10 Wie is zij,
die daar oplicht als de dageraad,
zo helder als de volle maan,
zo stralend als de zon,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?
Hij
11 Ik ging naar mijn notengaard beneden,
om te kijken naar de bloesems bij de beek,
naar de ranken aan de wijnstok,
de granaatappels in bloei.
12 En plotseling voelde ik mij meegevoerd
als op een wagen van mijn nobel volk.
Meisjes
7 draai rond, we willen naar je kijken.
Hij
Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,
zoals ze danst tussen twee reien?
2 Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!
Je heupen draaien sierlijk rond,
de schepping van een kunstenaar.
3 Je navel is een ronde kom,
die gevuld is met kruidige wijn.
Je buik is een bergje tarwe,
dat door lelies wordt omzoomd.
4 Je borsten zijn als kalfjes,
als de tweeling van een gazelle.
5 Je hals is als een toren van ivoor,
je ogen als de vijvers van Chesbon,
bij de poort van Bat-Rabbim.
Je neus is als een toren van de Libanon,
die uitkijkt over Damascus.
6 Je hoofd rijst op als de Karmel,
omkruld door purperen lokken,
waarin een koning ligt verstrikt.
Hij
7 Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
8 Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
9 Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
10 je tong als zoete wijn
Zij
11 Ik ben van mijn lief,
en hij verlangt naar mij.
12 Kom, mijn lief,
laten we het veld in gaan,
en tussen de hennabloemen slapen.
13 Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,
en kijken of de wijnstok al is uitgebot,
zijn bloesems al ontloken zijn,
de granaatappel al bloeit.
Daar zal ik jou beminnen.
14 De liefdesappels geuren al.
Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,
vers geplukte, goed gedroogde.
Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.
8
8
1 Was jij maar mijn broertje,
dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.
Als ik je dan vond, daar buiten,
dan kuste ik jou,
en niemand zou me verachten.
2 Dan nam ik je mee
en bracht je in mijn moeders huis.
Dat heb ik van haar geleerd.
Ik gaf je kruidige wijn te drinken,
van het sap van mijn granaatappel.
3 Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,
met zijn rechterarm omhelst hij mij.
4 Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
Meisjes
5 Wie is zij,
die daar komt uit de woestijn,
leunend op de arm van haar lief?
Zij
Onder de appelboom wekte ik jou.
Daar kreeg je moeder weeën,
weeën van jou,
daar baarde ze jou.
6 Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
7 Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.
Broers
8 Wij hebben een zusje,
borsten heeft ze nog niet.
Wat doen we met ons zusje
als de mensen over haar gaan spreken?
9 Was zij een muur,
dan bouwden wij er zilveren kantelen op.
Was zij een deur,
dan sloten wij die met een balk van cederhout.
Zij
10 Ik ben een muur,
mijn borsten zijn als torens.
Zo ben ik in zijn ogen als een stad
die vrede biedt.
11 Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.
Hij stelde er bewakers aan,
duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.
12 Mijn eigen wijngaard blijft van mij.
De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,
en tweehonderd voor de bewakers.
Hij
13 Jij die in je hof verblijft,
mijn vrienden zijn gespitst op je stem.
Laat míj die horen!
Zij
14 Ga nu van mij weg, mijn lief!
Spring als een gazelle,
als het jong van een hert
over de bergen vol balsemkruid.
Maart 2010
1 Psalm 119:89-176
2 Hooglied
3 Spreuken 1-3
4 Spreuken 4-6
5 Spreuken 7-9
6 Spreuken 10-12
7 Spreuken 13-15
8 Spreuken 16-18
9 Spreuken 19-21
10 Spreuken 22-24
11 1 Koningen 5-6;
2 Kronieken 2-3
12 1 Koningen 7; 2 Kronieken 4
13 1 Koningen 8; 2 Kronieken 5
14 2 Kronieken 6-7; Psalm 136
15 Psalm 134; Psalm 146-150
16 1 Koningen 9; 2 Kronieken 8
17 Spreuken 25-26
18 Spreuken 27-29
19 Prediker 1-6
20 Prediker 7-12
21 1 Koningen 10-11; 2 Kroniek.9
22 Spreuken 30-31
23 1 Koningen 12-14
24 2 Kronieken 10-12
25 1 Koningen 15:1-24; 2
Kronieken 13-16
26 1 Koningen 15:25-16:34; 2
Kronieken 17
27 1 Koningen 17-19
28 1 Koningen 20-21
29 1 Koningen 22; 2 Kronieken 18
30 2 Kronieken 19-23
31 Obadja; Psalm 82-83
Labels: Rooster
Psalm 119:89-176
89 HEER, voor eeuwig
staat uw woord in de hemel vast.
90 Uw trouw duurt van geslacht op geslacht,
u hebt de aarde gegrondvest en zij houdt stand.
91 Naar uw voorschriften blijven hemel en aarde bestaan,
alles is aan u onderworpen.
92 Verheugde ik mij niet in uw wet,
ik zou vergaan van ellende.
93 In eeuwigheid zal ik uw regels niet vergeten,
daardoor houdt u mij in leven.
94 Ik ben van u, red mij,
want steeds zoek ik uw regels.
95 Zondaars zijn uit op mijn ondergang,
maar uw richtlijnen geven mij inzicht.
96 Aan alles, hoe volmaakt ook, zag ik een einde,
maar uw gebod is grenzeloos ruim.
*
97 Hoe lief heb ik uw wet,
heel de dag is hij in mijn gedachten.
98 Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden,
ik ben er eeuwig mee verbonden.
99 Ik ben verstandiger dan al mijn leermeesters,
want ik overdenk uw richtlijnen,
100 ik heb meer inzicht dan ouderen,
want uw regels volg ik op.
101 Mijn voeten mijden elk pad dat slecht is,
zo kan ik mij houden aan uw woord,
102 van uw voorschriften wijk ik niet af,
u bent het die mij onderricht.
103 Hoe zoet zijn uw woorden voor mijn gehemelte,
zoeter dan honing voor mijn mond.
104 Uw regels geven mij inzicht,
daarom haat ik elk bedrieglijk pad.
*
105 Uw woord is een lamp voor mijn voet,
een licht op mijn pad.
106 Ik zweer mij te houden aan uw rechtvaardige voorschriften
en ik zal mijn eed gestand doen.
107 Ik ben zo diep vernederd,
houd mij in leven, HEER, zoals u hebt beloofd.
108 Aanvaard, HEER, de lof uit mijn mond
en onderwijs mij in uw voorschriften.
109 Mijn leven is voortdurend in gevaar,
maar uw wet vergeet ik niet.
110 Zondaars hebben voor mij een net gespannen,
maar ik wijk niet af van uw regels.
111 Uw richtlijnen zijn mijn eeuwig bezit,
ze zijn de vreugde van mijn hart.
112 Met hart en ziel ben ik bereid
uw wetten uit te voeren,
eeuwig, tot het einde toe.
*
113 Wankelmoedigen haat ik,
maar uw wet heb ik lief.
114 Bij u schuil ik, u bent mijn schild,
in uw woord stel ik mijn hoop.
115 Zondaars, ga weg van mij!
Ik wil de geboden volgen van mijn God.
116 Steun mij zoals u hebt beloofd, en ik zal leven,
beschaam mijn verwachting niet.
117 Sta mij bij, dan zal ik gered zijn,
altijd houd ik uw wetten voor ogen.
118 U verwerpt wie afdwalen van uw wetten,
hun bedrog loopt uit op niets.
daarom heb ik uw richtlijnen lief.
120 Ik huiver van angst voor u,
uw vonnissen wekken mijn vrees.
*
121 Ik heb altijd gedaan wat recht is en wettig,
geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
122 Waarborg het geluk van uw dienaar,
sta niet toe dat hoogmoedigen mij verdrukken.
123 Mijn ogen smachten naar de redding die u brengt,
naar de gerechtigheid die u hebt beloofd.
124 Toon uw dienaar uw genade en trouw,
onderwijs mij in uw wetten.
125 Ik ben uw dienaar, geef mij inzicht,
dan leer ik uw richtlijnen kennen.
126 Het is tijd om in te grijpen, HEER,
overal wordt uw wet geschonden.
127 Maar ik, ik heb uw geboden lief,
meer dan goud, dan zuiver goud.
en haat elk bedrieglijk pad.
*
129 Uw richtlijnen zijn voor mij een wonder,
daarom volg ik ze met heel mijn hart.
130 Als uw woorden opengaan, is er licht
en inzicht voor de eenvoudigen.
131 Dorstig opent zich mijn mond,
zo hunker ik naar uw geboden.
132 Keer u tot mij en wees mij genadig,
dat is het voorrecht van wie uw naam bemint.
133 Stuur mijn gangen zoals u hebt beloofd,
lever mij niet uit aan de macht van het kwaad,
134 verlos mij van de onderdrukking van mensen,
en ik zal mij houden aan uw regels.
135 Laat het licht van uw gelaat over mij schijnen,
onderwijs uw dienaar in uw wetten.
136 Beken van tranen vloeien uit mijn ogen,
want uw wet wordt niet onderhouden.
*
137 U bent rechtvaardig, HEER,
elk van uw voorschriften is juist.
138 De richtlijnen door u uitgevaardigd
zijn eerlijk en volkomen betrouwbaar.
139 Mijn hartstocht voor u verteert mij,
mijn belagers zijn uw woorden vergeten.
140 Uw woord is volkomen zuiver,
uw dienaar heeft het lief.
141 Al ben ik maar klein en niet in tel,
ik ben uw regels niet vergeten.
142 Uw gerechtigheid is gerechtigheid voor eeuwig,
uw wet berust op waarheid.
143 Al ben ik in nood en dreigt er gevaar,
uw geboden verheugen mij.
144 Uw richtlijnen zijn rechtvaardig tot in eeuwigheid,
geef mij inzicht, en ik zal leven.
*
145 Ik roep met heel mijn hart,
geef antwoord, HEER,
ik wil uw wetten volgen.
146 Ik roep u aan, red mij,
en ik zal mij houden aan uw richtlijnen.
147 Nog voor het morgenlicht roep ik om hulp,
in uw woord stel ik mijn hoop.
148 In de uren van de nacht houd ik mijn ogen geopend
en overdenk ik uw woord.
149 Luister goedgunstig naar mijn stem,
houd mij in leven, HEER, u bent rechtvaardig.
ver zijn ze afgeweken van uw wet.
151 U bent nabij, HEER,
al uw geboden zijn betrouwbaar.
152 Sinds lang weet ik: uw richtlijnen
*
153 Zie mijn ellende en red mij,
uw wet vergeet ik niet.
154 Strijd voor mij en verlos mij,
houd mij in leven zoals u hebt beloofd.
155 Redding blijft ver van de zondaars,
want uw wetten zoeken ze niet.
156 Groot is uw mededogen, HEER,
houd mij in leven, u bent rechtvaardig.
157 Met velen zijn mijn vervolgers en belagers,
toch wijk ik van uw richtlijnen niet af.
158 Ik zie de afvalligen en weerzin vervult mij,
want zij houden zich niet aan uw woord.
159 Zie hoe ik uw regels liefheb,
HEER, laat mij leven, u bent trouw.
160 Uw woord is volkomen betrouwbaar,
elk van uw voorschriften rechtvaardig en eeuwig.
*
161 Machtigen vervolgen mij zonder reden,
maar alleen voor uw woorden huivert mijn hart.
162 Ik schep vreugde in uw belofte,
als de vinder van een rijke buit.
163 Ik haat, ik verafschuw de leugen,
maar uw wet heb ik lief.
164 Ik zing u dagelijks zevenmaal lof
om uw rechtvaardige voorschriften.
165 Groot is de vrede voor wie uw wet beminnen,
zij vinden geen hindernis op hun weg.
166 Ik verwacht dat u mij redt, HEER,
uw geboden zal ik volbrengen.
167 Ik houd mij aan uw richtlijnen,
mijn ziel heeft ze innig lief.
168 Ik houd mij aan uw regels en richtlijnen,
al mijn wegen zijn u bekend.
*
169 Laat mijn hartenkreet u bereiken, HEER,
geef mij inzicht zoals u hebt beloofd,
170 laat mijn smeekbede tot u doordringen,
bevrijd mij zoals u hebt toegezegd.
171 Laten mijn lippen overvloeien van lof,
want u onderwijst mij in uw wetten,
172 laat mijn mond uw woord bezingen,
want al uw geboden zijn rechtvaardig.
173 Laat uw hand mij te hulp komen,
ik heb gekozen voor uw regels.
174 Ik verlang ernaar dat u mij redt, HEER,
uw wet verheugt mij.
175 Moge mijn ziel leven en u loven,
mogen uw voorschriften mijn hulp zijn.
176 Ik dwaal rond als een verloren schaap.
Zoek uw dienaar,
want ik vergeet uw geboden niet.